Archief voor de categorie 'Interviews'

Sass Jordan keeps the train rollin’ [interview]

Geplaatst op 28 July 2016 door Giel

Twitter facebook YouTube E-mail

Exclusief interview met: Sass Jordan
tekst & vid: Giel van der Hoeven
foto’s: José Gallois © The Blues Alone?
locatie: Ribs & Blues Festival 2016 in Raalte
datum: maandag 16 mei 2016

Je krijgt niet elke dag de kans om Sarah (Sass) Jordan (1962) aka de Voice of Truth te interviewen. Maar toen we vernamen dat de rockdiva in 2016 ook het Ribs & Blues festival in Raalte zou aandoen, grepen we die kans met beide handen aan. De in Engeland geboren zangeres verhuisde op zeer jonge leeftijd al naar Canada om van daaruit wereldwijd succesvol naam en faam te maken. Haar doorbraak, eind jaren tachtig, was ook mij als generatiegenoot zeker niet ontgaan. De knappe verschijning met een dijk van een rockstem was in die tijd een aangename afwisseling tussen al het manlijke mainstream- en hardrock geweld. Het prototype rockchick, rauw en aaibaar. Maar haar artistieke en technische prestaties werden gelukkig ook gewaardeerd door een groot publiek. Dit leverde Sass onder meer de wereldhits ‘Make You A Believer’ en ‘Highroad Easy’ op én een Canadese Juno Award in de categorie “Most Promising Female Vocalist of the Year". In de jaren die volgden bracht ze met wisselend succes acht albums uit, zong ze een duet met niemand minder dan Joe Cocker voor de soundtrack van ‘The Bodyguard’, en deelde ze met heel veel collega-muzikanten uit de internationale rockscene het podium.

Als wij ons backstage - met het oog op de klok - lichtelijk nerveus zitten te maken, en we voor de derde keer nog maar weer eens de natgeregende stoelen droog boenen, komt Sass ineens ontspannen aangewandeld. Ze arriveert een half uur later dan afgesproken maar heeft er geen bezwaar tegen dat we haar - zoals afgesproken - gewoon vóór het optreden interviewen. We hebben hier duidelijk te maken met een vrouw die vakkundig op haar routine werkt. Tijdens het voorstellen verontschuldigt ze zich voor de vertraging, met als cynisch excuus dat ze gisteravond ook nog een optreden had, hélemaal in Vlissingen. Terwijl ze met de vingers van haar linkerhand nog gauw een paar blonde lokken fatsoeneert en haar zonnebril recht zet (speciaal voor TBA?-fotograaf José), besluit ik om als openingsvraag met een ‘inkoppertje’ te beginnen.

Hallo Sass, een van de eerste singles die ik ooit kocht was ‘American Woman’ van The Guess Who. Weet je nog wat jouw eerste plaatje was?
- “Hey, that’s funny”, mijn man Derek speelt in The Guess Who! Maar dat wist je natuurlijk al, haha. [Derek Sharp is The Guess Who’s huidige leadsinger - red.]. Mijn eerste single als kind? John Lennon met Imagine, ongetwijfeld.

Woonde je toen al in Canada?
- Oh ja, toen ik 3 jaar was ben ik al met mijn ouders van Engeland naar Westmount verhuisd, een voorstad van Montreal in het zuidwesten van Québec, Canada. Ik heb ook de Canadese nationaliteit hè. Mijn moeder was Britse en mijn vader Fransman. Ik groeide op met klassieke muziek maar ontdekte al op jonge leeftijd de popmuziek van o.a. Gladys Knight, David Bowie en Tina Turner. En later ook de rockbands, zoals Cheap Trick, Aerosmith en Bad Company.

Je stond al jong op eigen benen?
- Jazeker, mijn ouders gingen uit elkaar toen ik 14 jaar was en ik koos mijn eigen weg in de muziek. Mijn eerste bandje op de middelbare school was Sweet Thunder en op mijn 17e ben ik basgitaar gaan spelen in een meidengroep, The Pinups genaamd. Wereldberoemd in Montreal, haha.

Je lacht veel. Ook op foto’s sta je bijna altijd lachend. Ben je een blij persoon?
- Nee! Ik ben juist verdomd depressief, daarom lach ik zo vaak om dat te verbergen… whahaha! Ik zou een slechte hip-hopper zijn hoor, “not angry enough”. Maar je hebt gelijk, ik ben een blije eikel. Ik wil hier ook niet weg, het is veel te leuk in Nederland! Zie je dat ding daar? [ze wijst naar een toevallig overvliegend vliegtuig - red.] Daar zit ik morgen ook weer in… “a wild white plane, back home”. Maar ik wil helemaal niet vliegen!

Toch heb je veel gereisd en in 1990 ben je zelfs naar Los Angeles verhuisd. Wie heeft jou daar eigenlijk ontdekt als soloartieste?
- Oh, maar dat is geleidelijk gegaan hoor. Nadat ik in de jaren tachtig had meegewerkt aan het debuutalbum van de new wave band The Box uit Montreal, ben ik eerst met hen gaan touren. En ook The Pinups hadden behoorlijk succes in het clubcircuit van Montreal. Vervolgens ben ik via producer Donald K. Tarlton bij Aquarius Records terecht gekomen waar o.a. ook de populaire rockband April Wine onder contract stond. Samen met toetsenist Bill Beaudoin heb ik de nummers voor mijn debuutalbum ‘Tell Somebody’ (1988) geschreven en die plaat werd gelijk platina in Canada en goud in de VS. Pas daarna ben ik naar L.A. gegaan waar ik ‘Racine’ (1992) opnam en uitbracht. Met de hit ‘Make You A Believer’ als grote doorbraak wereldwijd. Toen ging het ineens echt hard. Touren met Bryan Adams, Steve Miller, Aerosmith… je kent ze allemaal wel.

Inmiddels is het 2016 en je hebt al met heel veel grootheden opgetreden. The Rolling Stones, AC/DC, Van Halen, Joe Cocker, Alice Cooper, Jeff Healey, Santana… om er maar eens een paar te noemen. Welke artiest of band heeft persoonlijk het meeste indruk op je gemaakt?
- Ehh, dat is een rotvraag zeg… [ze denkt lang na - red.] weet je, van iedereen steek je wel iets goeds op, “but, I love playing with Cheap Trick”. Maar ja, dat zeg ik natuurlijk omdat het goeie vrienden van me zijn, lastig hoor…

Klopt het dat je in 1996 na het vertrek van zanger Sammy Hagar auditie hebt gedaan bij Van Halen?
- Ja en nee. Ik heb die zomer twee maanden in Edward Van Halen’s home studio rondgehangen omdat hij vlak bij me woonde in L.A. Maar er was geen auditie. Alex, Eddie en hun gitaartechnicus Scotty en ik hebben daar gewoon veel lol gemaakt. Althans, Eddie was nogal gestoord in die periode en er werd niet gerookt of gedronken in de studio, ze gebruikte mij eigenlijk als ‘loopjongen’ om drank en sigaretten te scoren, haha. Achteraf begreep ik van hun manager Ray Danniels [tevens zwager van Alex Van Halen - red.] die ook manager was geweest van Rush en later van Extreme, dat een vrouwelijke leadsinger toen zeker wel een optie was voor Van Halen. Maar de heren waren het daar onderling niet helemaal over eens. Gary Cherone van Extreme is toen kort daarna - zonder veel succes - de nieuwe leadsinger geworden.

Het zou een bijzondere combinatie geweest zijn, denk je ook niet?
- “Yeah, it was such a weird idea, a girl!” Maar oké, tegenwoordig vinden er ook weer vreemde dingen plaats op dat gebied. Ik bedoel, Axl Rose als vervanger van Brian Johnson bij AC/DC, wie had dat gedacht? Is ook weird.

Onlangs kwam de nieuwe documentaire ‘Janis: Little Girl Blue’ hier op de tv. Zelf speelde je in 2000 de rol van Janis Joplin in de off-broadway hit ‘Love, Janis’. Bewonder je haar?
- Ja, dat zeg je goed, ik bewonder haar. Als ‘moeder van de blues’ deed ze fantastische dingen. Geweldig om naar te kijken ook. Maar weet je, eigenlijk ben ik nooit zo’n groot fan geweest van vrouwelijke vocalisten. Bonnie Raitt uitgezonderd.

Je werd al vroeg in je solocarrière beloond met een prestigieuze Juno Award for “Most Promising Female Vocalist of the Year". Bracht dat ook extra verplichtingen of verwachtingen met zich mee?
- Oh god nee, zo heb ik dat althans niet ervaren. Behalve dan dat ik bij die stomme uitreiking aanwezig moest zijn, haha. Ach, het hoort erbij en ik was er blij mee uiteraard, maar de meeste artiesten houden nou eenmaal niet van officiële gelegenheden. “We wanna rock and keep the train rollin’!”

Hoe blijft die trein rijden vandaag de dag. Ik bedoel, die situatie on tour is toch aanzienlijk anders dan 20 jaar geleden?
- Absoluut! Kijk, als ik hier nou twee maanden aan een stuk zou touren, kon ik een Europese band samenstellen. Maar nu nemen we steeds onze eigen muzikanten mee en dat vereist efficiënt regelen, organiseren en plannen. Steeds weer vliegen met een gezelschap is niet alleen niet leuk om te doen, maar ook nog erg duur… “but it’s all good”. En touren is té leuk om het niet te doen, je maakt van alles mee en je ontmoet veel nieuwe en oude vrienden. Vandaag ontmoet ik hier gitarist Ryan McGarvey waar ik al 5 jaar mee sms’t maar die ik nog nooit heb ontmoet, hoe leuk is dat? Ik ken hem via een vriend, Carmine Rojas uit New York City, die ook bassist was bij David Bowie, Rod Stewart en Joe Bonamassa.

Je bent een groot Bowie-fan las ik?
- Dat klopt, toen ik tiener was al. En zijn eerste werk vind ik nog steeds het beste wat hij gemaakt heeft. Ik heb hem nooit ontmoet helaas maar het is echt zó onwerkelijk dat hij niet meer leeft… [stilte].

Drie jaar geleden vertelde je in een interview dat je een boek aan het schrijven was, ‘Life as a healing Journey’. Is dat al af?
- “Oh yeah, haha I say a lot of shit!” Ik verzin weleens dingen om niet steeds in herhaling te treden, vandaar. Of eigenlijk is alles wat ik zeg bullshit, haha! Misschien ga ik ooit echt een boek schrijven, of moet ik aan m’n memoires beginnen want dat doen artiesten van onze leeftijd toch? Ach, je weet maar nooit.

Over schrijven gesproken, je laatste CD ‘From Dusk ‘Til Dawn’ dateert alweer van 2008!
- Dat is alweer lang geleden hè, ik schaam me. Maar drie jaar geleden heb ik ook een album met S.U.N. (Something Unto Nothing) uitgebracht hoor. Dat was een project met drummer Tommy Stewart en bassist Michael Devin en gitarist Brian Tichy van Whitesnake. Te gekke muzikanten en een onvervalst 80’s old school rockalbum. Door geldgebrek is er helaas nooit wat van meerdere liveoptredens terecht gekomen.

Wat is het hilarische verhaal over David Coverdale?
- Whahaha… David en ik hebben een haat-liefde verhouding moet je weten. Dat is ontstaan in de jaren ‘90 toen ik met mijn band support was voor Whitesnake in Frankrijk. Vlak voor het eerste optreden kwam hun manager naar me toe en hij zei dat we absoluut niet harder dan 90 decibel mochten spelen. Dat is niet hard voor een rockband maar ja, ik was jong en naïef, en zij waren de grote rocksterren! Later hoorde ik van David Coverdale dat zij zich backstage gek gelachen hebben. Ik zag de humor er wel van in en ben goed bevriend met hem geraakt en gebleven. En ook met Rudy Sarzo en Adje Vandenberg kon ik het die tour goed vinden, “all great guys”. Whitesnake gaat deze zomer weer een European farewell tour doen zeg je? Dat wordt dan “The Old Fart Tour” zeker?! Whahaha.

Je hebt de Tom Waits song ‘Ol’55′ gecoverd. Is dat nummer speciaal voor je?
- Ik kende die song van The Eagles en hun versie van de ‘On the Border’ elpee uit 1974 sprak mij als kind erg aan. Mijn versie staat op de CD ‘From Dusk ‘Til Dawn’, waarvoor we een marketingdeal met een winkelketen hadden afgesloten. Dat album mocht daarom niet te rocky klinken maar werd uiteindelijk een allegaartje, niet m’n beste werk moet ik eerlijk zeggen. Gelukkig is er artistiek met S.U.N. veel goed gemaakt. En, ik ben van plan om binnenkort een nieuwe maar ouderwets goeie plaat op te nemen! Dat wil ik samen met mijn goede vriend en drummer Taylor Hawkins doen. Maar hij heeft het nu nog erg druk want hij is een “f@cking rockstar at the Foo Fighters!”

Hoe kijk je terug op je tweede carrière; zes jaar lang jury bij de TV-show Canadian Idol?
- Haha, tweede carrière ja… eindelijk ging ik geld verdienen! Ik heb het jureren met veel plezier gedaan hoor maar als je me nu vraagt welke kandidaat heeft echt indruk gemaakt, zeg ik: niet één. Ik loop al behoorlijk lang mee in de muziekscene en ben natuurlijk verwend om met geweldige muzikanten en artiesten te spelen. Die hebben er stuk voor stuk keihard voor moeten werken. Wat ik probeer uit te leggen is: als je nieuw, jong en getalenteerd bent, wil dat nog niet zeggen dat je gelijk ook al goed genoeg bent. Iedere artiest moet ervoor blijven knokken. Vraag dat maar eens aan de jonge Canadese gitarist Nick Johnston die nu met ons toert. Hij is fantastisch maar verbetert zich nog iedere dag, die knul wordt echt een goeie!

Sass, bedankt voor je tijd en voor het lachen.
- “Haha, God bless ya, thank you so much".

Lees een verslagje van het optreden hier: 20 Years Ribs & Blues – Ribs, Blues & Fun – Day 2
Meer foto’s van het optreden hier.

[filmpje - volgt]

De Blues drive van Giel van der Hoeven [interview]

Geplaatst op 12 November 2015 door Giel

Twitter facebook YouTube E-mail

Interview door: Lizzy

Voor de tweede achtereenvolgende keer is Giel van der Hoeven (54) een van de presentatoren op het Blues aan Zee festival in Monster. Sinds 2010 schrijft de Naaldwijkse blues-liefhebber ook concertverslagen voor The Blues Alone? en hij interviewt regelmatig artiesten voor dit online magazine. Ook is Giel een bekend gezicht in de Westlandse muziek scene waarin hij verschillende vrijwillige werkzaamheden verricht. Maar wie is hij nu eigenlijk en wat drijft hem? De interviewer geïnterviewd.


[Giel interviewt Mattanja Joy Bradley – ze speelde in 2014 op het BAZ-festival]

Hoe ben je ooit in aanraking gekomen met de bluesmuziek?
- Eigenlijk zoals dat bij de meeste muziekliefhebbers gaat, je pikt het op in je jeugd en doet er dan wel of niet iets mee. En ik heb dat dus wel gedaan, op mijn eigen manier. Mijn oudere broer en zus kochten en draaide vinyl singles en ik luisterde mee met rode oortjes. Broers van vriendjes speelde gitaar en zo kwam ik al vroeg in aanraking met live muziek. Vooral gitaarmuziek dus. En als gevolg daarvan wilde ik vanaf m’n 12e jaar álles weten over Deep Purple, Rolling Stones, Focus en Jimi Hendrix. Want alles aan die gasten was gewoon interessant en spannend. Hun ruige muziek, stoere kleding, wilde levensstijl, alles! Muziek is sindsdien als rode - nee, blauwe - draad door m’n leven gaan lopen. Tja, en dan kan je natuurlijk niet om de oorsprong van de elektrische gitaarmuziek heen, the Blues. Muddy Waters zong dan ook terecht: ‘the blues had a baby and they called it rock & roll’.

De liefde voor muziek én je nieuwsgierigheid zat er dus al vroeg in. Heb je ook altijd al over muziek geschreven?
- Nee, zeker niet uitsluitend maar wel hoofdzakelijk. Als kind prutste ik wel al een soort van weekblad in elkaar over voetbal en popmuziek voor mijn jongere broertje. Maar eigenlijk ben ik na mijn 30e jaar pas serieus gaan schrijven. Over sport, kunst, reisverslagen, columns en over muziek dus. Begin van deze eeuw ben ik ook aan proza en poëzie begonnen en dat doe ik nu nog steeds met plezier. Ook dat wordt in het Westland gestimuleerd door een stichting: Schrijvers Tussen de Kassen. Ja, de cultuur tiert momenteel welig in het Westland hoor!

Wat is er zo leuk aan schrijven?
Alles! Schrijven is één van de leukste bezigheden die ik me kan bedenken. Ze zeggen wel eens dat schrijvers vaak ook zeer belezen zijn. Maar in verhouding lees ik hélemaal zoveel niet hoor. Althans, ik ben geen boekenverslinder. Ik lees wel veel artikelen in magazines en kranten en ik doe dat de laatste jaren ook nog eens digitaal. Gelukkig is er online op muziekgebied erg veel te vinden. En schrijven houdt je bovendien scherp en kritisch op een creatieve manier. Het onderwerp moet me daarbij wel aanstaan natuurlijk, dat zal dan ook de reden zijn dat ik zoveel over muziek schrijf. Ik informeer graag gelijkgestemden en laat anderen met plezier meegenieten van hoe ik het beleefd hebt. En daar hoeft lang niet iedereen het mee eens te zijn. Dat kán ook niet altijd want iedereen beleeft het op zijn eigen manier. Dát is juist zo mooi aan live muziek. Het interviewen van artiesten is daarop weer een welkome aanvulling gebleken. De kunst daarbij is om vragen te stellen die écht uit interesse voortkomen maar ook om rekening te houden met lezeres die zo’n artiest nog niet of nauwelijks kennen. Mijn vraaggesprekken met o.a. Dana Fuchs, Ian Siegal, Mud Morganfield en de dochter van John Lee Hooker worden nog steeds veel gelezen en goed gewaardeerd. Ook dat vind ik leuk.


[Giel in gesprek met Mud Morganfield, de zoon van Muddy Waters]

En bluesmuziek geniet daarbij dus je bijzondere belangstelling?
- Zeker! Maar ik heb ook Ellen ten Damme en Di-rect geïnterviewd hoor, zomaar twee voorbeelden die juist weinig met blues te maken hebben. En ik schrijf net zo graag een concertverslag over een hardrock band of een singer-songwriter. Bij The Blues Alone? hebben we het voorrecht dat we zelf onze concerten uit kunnen kiezen. Aangezien fotograaf Arjan Vermeer en ik zo’n beetje dezelfde voorkeuren hebben én we het samen erg goed kunnen vinden, ben ik vaak met hem op stap geweest. Alleen daar valt al een boek over te schrijven, haha. Dan sta je dus de ene keer op Pinkpop bij de Rolling Stones of in de Ziggo Dome bij The Eagles. En de andere keer in de Boerderij in Zoetermeer of in de Noviteit in Monster bij een regionale of een lokale bluesband. Maar daardoor blijft het juist wél weer gevarieerd.

Je bent de laatste jaren ook actief in de Westlandse muziekscene, hoe is dat zo gekomen?
- Ach, naarmate je ouder wordt ga je je steeds meer realiseren dat het dichter bij huis ook leuk kan zijn, haha. Nee, maar er gebeuren gewoon veel leuke dingen op muziekgebied in het Westland de laatste jaren. Bandjes kunnen weer terecht in kroegen en op de diverse lokale podia. En kijk maar eens wat stichting MuziekCentrumWestland (waar ik ook bestuurslid van ben) heeft weten te bewerkstelligen in de afgelopen twee jaar. Ja, en als je dan als individu hand en spant diensten kan verrichten voor een podium als de Muziekzolder of festivals als DijkRock en de Westlandse Cross, én niet te vergeten voor Blues aan Zee, dan zeg je geen nee natuurlijk!

Wat is jou mening over Blues aan Zee en wat spreekt je er zo in aan?
- Er lopen vrijwilligers rond die al sinds jaar en dag voor die stichting klaar staan. En het publiek is altijd hondstrouw. Want je mag gerust stellen dat in de zogenaamde Westlandse muziekscene de stichting Blues aan Zee al jaren lang een stabiele factor is. Dat is één ding dat me aanspreekt. Verder weten ze altijd kwalitatief goede bands en artiesten te programmeren en dat is knap in een muziekstroming waarvan zeer weinig op de radio te beluisteren valt. En dat ik sfeerverslagen mag maken van de BAZ festivals en nu ook weer in The Juke Joint-zaal de artiesten mag aankondigen zijn voor mij eervolle bezigheden die ik graag voor m’n rekening neem.

Hoe kijk je aan tegen de toekomst van Blues aan Zee?
- Met een andere opzet van de festivals en de keuze voor meerdere locaties is het roer ook bij BAZ omgegaan. Dat is niet voor niets geweest natuurlijk. Ik heb ook gemerkt dat de bezoekersaantallen wat terug liepen de laatste jaren, ondanks dat het enthousiasme groot blijft. Daar zijn zeker aanwijsbare redenen voor. Zelf kan ik er ook niet altijd bij zijn omdat er vaak veel te doen is in de weekends. Het feit dat het goed gaat met cultureel Westland mag zich ook niet tegen de organisaties zelf gaan keren natuurlijk. Te vaak zie ik nog dat er gelijksoortige evenementen gelijktijdig plaats vinden op vooral de zaterdagen. Met wat meer onderling overleg van tevoren kan dat best vermeden worden lijkt me! Blues aan Zee is daarin wél altijd duidelijk geweest. Verder voorspel en wens ik BAZ een lang en swingend voortbestaan. En dat moet lukken want de blues is van alle tijden en voor alle leeftijden. Een avondje Blues aan Zee staat voor mij gelijk aan een goeie band, een goed gesprek en een goed glas bier in een ongedwongen sfeer. Tot op heden hebben ze me daarin in al die jaren niet teleur gesteld.

Interview werd 11-11-15 gepubliceerd in de BaZ Blueskrant als bijlage van Groot Westland.

Bezoek op 14 november het Blues aan Zee festival in Monster: 3 zalen 9 blues acts.

Little Hurricane raast onverdroten door [interview]

Geplaatst op 18 August 2015 door Giel

Twitter facebook YouTube E-mail

Exclusief interview met: Little Hurricane
tekst: Giel van der Hoeven
foto’s: José Gallois © The Blues Alone?
locatie: Ribs & Blues Festival 2015 in Raalte
datum: zondag 24 mei 2015

Niets is wat het lijkt en alles is wat het is bij het duo Little Hurricane uit San Diego. De podiumattributen die ze tijdens veel optredens gebruiken, een knus dressoir met antieke schemerlamp, vormen een schril contrast met de vintage apparatuur en het smerige bluesy geluid van zanger/gitarist Anthony “Tone” Catalano. Door hen zelf met enige trots als ‘dirty blues’ aangeduid. Hij die klinkt als een doorgewinterde bluesrocker maar eruit ziet als de ideale schoonzoon. Evenals het lieflijke snoetje van dat meisje in haar babydoll jurkje op blote voetjes t.o.v. de stoere cowboylaarzen - die elk optreden steevast voor haar drumkit opgesteld staan - en haar kleurrijk getatoeëerde linker bovenarm, waarmee deze Celeste “C.C.” Spina rake en harde klappen uit kan delen. Op de snaredrums en toms welteverstaan. De chemie is ontegenzeggelijk aanwezig tussen de twee Californische muzikanten. Zowel óp het podium tijdens hun geslaagde optreden in Raalte, als erachter tijdens het interview met ons. Toch hebben ze volgens eigen zeggen geen liefdesrelatie maar zijn ze beide tot over hun oren verliefd. Op muziek maken dus! En daar hebben ze niemand anders bij nodig. Zélfs geen tourmanager. Al was dát even niet zo gepland. Maar ondanks dat, raast deze kleine orkaan onverdroten door.

Hallo Anthony en Celeste, dit was jullie een-na-laatste optreden in deze Europese tour van vijf weken. Zijn jullie moe?
Tone: Ja. Onze tourmanager is zijn paspoort kwijt geraakt in Engeland dus we moeten de tour nu zonder hem met z’n tweetjes afmaken. “But the show must go on!”
CC: De laatste paar dagen rijden we zelf de tourbus, verkopen we de merchandise, moeten we alles op- en afbouwen, het verblijf en de interviews regelen… vandaar dat we er nu wat afgedraaid bijzitten. Maar we klagen niet.

Jullie komen net terug uit Duitsland, hoe was het daar?
Tone: Geweldig. We hebben daar gespeeld op het Orange Blossom Special Festival in Beverungen en het Grolsch Blues Festival Schoppingen. Middelgrote festivals vergelijkbaar met Ribs & Blues hier in Raalte. Het mooie van de Europese festivals vindt ik dat ze lekker knus en toegankelijk blijven. In tegenstelling tot bij ons in de VS, waar ze van jaar tot jaar proberen om steeds groter te worden.

Tone, ik hoorde je op het podium zeggen dat Nederland je enigszins aan San Diego doet denken. In welk opzicht?
Tone: Ja, vooral vanwege het warme weer vandaag.
CC: En het eten én de live muziek.
Tone: Ook, in San Diego heb je net als hier een levendige muziekscene met veel verschillende stijlen. Ondanks dat we veel buiten de regio touren proberen we er toch wel één of twee keer per jaar te spelen. Ik kom zelf uit Santa Cruz (Californië) en CC komt uit Chicago, maar San Diego voelt voor ons beide als thuis. Wellicht dat ik het daarom zei, want ik voel me hier wel thuis, ja.

Hoe kwamen jullie bij de oprichting in 2010 eigenlijk aan die naam: Little Hurricane?
CC: We hebben best lang moeten brainstormen over een goede bandnaam hoor. We zochten iets dat ons correct zou omschrijven; klein in omvang maar groots in geluid. Zo kwamen we dus op Little Hurricane.
Tone: Een kleine orkaan is best intiem, zoiets als een wervelend schoolfeest. Grote orkanen boezemt mensen angst in, dat willen we niet. En een voordeel is dat je tegenwoordig kan googelen of er al een band of duo met die naam bestaat, dat was dus niet het geval.

Wat is er zo ‘dirty’ aan de blues die jullie spelen?
Tone: Ik gebruik gitaareffecten, distortion, fuzz en overdrive en we spelen harder dan traditionele bluesmuzikanten. De toevoeging ‘dirty’ is voor ons meer een gevoel, de ‘vibe’ die we hebben bij het maken van deze muziek. Daarbij streven we dus niet altijd naar perfectie.
CC: Soms houden we ons ook niet eens aan de setlist. Vandaag hadden we per vergissing allebei een andere setlist, dat dreigde even mis te gaan maar we voelen elkaar inmiddels zo goed aan, dat het zich vanzelf wel oplost.

Jullie worden nog wel eens vergeleken met de Black Keys of de White Stripes, stoort jullie dat?
Tone: Nee. Het zijn ook duo’s, dat is duidelijk. De enige vergelijking vind ik dat we ook een minimale instrumentatie gebruiken, wat wij net als zij een grote uitdaging vinden. Maar instrumentaal én vocaal zijn we volgens mij niet vergelijkbaar.

Vooral vocaal, want je hebt een opvallend eigen stemgeluid Tone, en het zingen lijkt je bijzonder makkelijk af te gaan. Is dat ook zo?
Tone: Haha, grappig dat je dat vraagt. Toen ik op school begon met muziek maken speelde ik alleen jazz-gitaar. Een meisje uit mijn klas had me om onduidelijke redenen ingeschreven voor het schoolkoor. Ik wilde dat helemaal niet maar was te bescheiden om er niet heen te gaan. Zo heb ik wel leren zingen, of in ieder geval mijn stem leren beheersen op een natuurlijke manier.

Celeste, je slaat er stevig op los op je drumkit. Ben je een wolf in schaapkleding?
CC: Whaha… nee! En onze song ‘Sheep In Wolves Clothes’ gaat ook niet over mij. Maar drummen is inderdaad wel een goede manier om wat agressie kwijt te raken. De song ‘Homewrecker’ gaat over een ruzie die ik ooit met wat meiden heb gehad. Het lucht echt wel op hoor als je met zo’n herinnering in gedachte kan drummen. Ik ben zeker niet agressief maar wel een dynamische feministe, haha. Ik doe ook niet aan krachttraining of zo, “just playing rockshows and movin’ my drums”. Verder speel ik altijd op blote voeten want dat vind ik gewoon het fijnst. En ik gebruik nylon tips op mijn sticks in plaats van houten, omdat ik heb leren drummen in een jazzband, daar was dat gebruikelijk.

Heb je voorbeelden?
CC: Drummers bedoel je? Ach, het is verleidelijk om Karen Carpenter te noemen omdat ze gewoon een goede drummer én zangeres was. Maar mijn eerste en grootste inspiratie was Ron Bushy, drummer van de Amerikaanse psychedelische rockband Iron Butterfly. Ik ben zelf gaan drummen toen ik 10 jaar was. Mijn vader gaf me toen het album ‘In-A-Gadda-Da-Vida’ (1968) van die band en hij zei tegen me: “ga jij deze drumsolo nou maar eens leren spelen”. En ik begon eraan.

Wie van jullie twee schrijft de teksten?
Tone: Ik schrijf ze maar CC draagt vaak de concepten aan. Mijn eigen teksten zijn nogal abstract al zit er in een song als ‘Lies’ over een ex-vriendin wel behoorlijk wat emotie, woede. Maar de bijdragen van CC zijn veel persoonlijker. Bijvoorbeeld ‘Sweet Pea’, wat een koosnaampje van haar opa was voor haar oma. Die song is door haar tekstbijdrage heel erg integer geworden. ‘Give Em Hell’ is ook zo’n voorbeeld…

Dat is de song met het mandoline-intro en tegendraadse zang toch?
CC: Ja dat klopt, het begint heel lieflijk van mijn kant met driftige zang van Tone. Die volzin ‘Give Em Hell’ heb ik eens gebruikt richting mijn jongere broer die drugsverslaafde is. Ik zei: “als je ervan af wilt komen moet je ervoor vechten, Give Em Hell!” Die back-and-forth-vocals methode gebruiken we trouwens ook in de song: ‘Crocodile Tears’.

Naar mijn bescheiden mening is ‘Grand Canyon’ de perfecte Little Hurricane song. Speel je daar soms ook zelf mondharmonica op Tone?
Tone: Dankje. Nee, Shannon Koehler speelt de bluesharp op de studiotrack van het Gold Fever album, hij is daar veel beter in dan ik. Hij zit in een rock and roll band uit San Francisco, The Stone Foxes. Ik had aanvankelijk eerst die riff en vond dat ik daar een Americana-song met Evel Knievel-achtige lyrics bij moest gaan schrijven. Dat is wel aardig gelukt, dacht ik.

Doordat je live ook keyboards en effecten gebruikt ontstaat er op sommige nummers een blazersgeluid. Is het denkbaar dat jullie in de toekomst met échte blazers gaan werken?
Tone: Alles heeft met budget te maken. We hebben voor een speciale gelegenheid wel eens met blazers opgetreden hoor, voor de vibe is dat inderdaad beter. Maar voorlopig is het voor ons beide efficiënter om samen op te blijven treden. Zo’n vraag is me ook weleens gesteld over het toevoegen van een bassist. Met effecten weet ik dat live nog goed in te vullen en in de studio speel ik zelf de baspartijen in. Zolang dat werkt voelen we geen behoefte om dat te veranderen.
CC: En aangezien dit mijn eerste echte band is mis ik ook geen 3e en 4e bandlid, haha.

In 2013 namen jullie het album ‘Stay Classy’ (A Collection of Cover Songs) op. Waarom?
Tone: Tijdens optredens deden we altijd al 1 of 2 covers, en per optreden steeds verschillende keuzes. Percy Sledge, Pink Floyd, CCR, Bruce Springsteen, ZZ Top, Aerosmith, etc. Op een gegeven moment kregen we het verzoek om die songs ook op de plaat te zetten. We dachten waarom niet? We hebben in onze oefenruimte een selectie ervan opgenomen en uitgebracht, fans vonden dat leuk. Zoals je dat vandaag ook weer kon merken aan de reacties op ‘Ain’t No Sunshine’ van Bill Withers.

Celeste, je zei eens dat je jonge (meisjes) drummers wilt inspireren. Vindt je jezelf een roll-model?
CC: Niet per se voor jonge drummers. Ik vind wel dat je je hart moet volgen en jezelf niet vast moet pinnen aan een gevolgde studie. Ik ben na mijn culinaire opleiding een hele andere richting opgegaan en ben artiest geworden. Omdat IK dat wilde. Want muziek maken is mijn passie! In San Diego ging ik toen op zoek naar bandleden met dezelfde passie. Na veel engerds te hebben afgewezen kwam ik Tony tegen. Ik was er na één keer repeteren al gauw van overtuigd dat hij me niet zou afmaken. Het klikte samen, dus bleven we een duo. De tijd zal leren of dat een goede keuze is geweest maar ondertussen zijn we alweer vier jaar beroepsmuzikant en - wat belangrijker is - ik voel me er goed bij. Dat is zéker wel iets wat ik wil uitdragen naar een volgende generatie, ja.
Tone: Ik heb na wat pop-punk bandjes ongeveer tien jaar als opnametechnicus en producer gewerkt in Californië voordat ik voldoende vertrouwen had om zelf een band te beginnen. CC zorgde voor een frisse wind en maakte me weer enthousiast.

Tone, je maakt je eigen glazen bottleneck slides van whiskey- en wijnflessenhalzen?
Tone: Noodgedwongen ja, omdat ze steeds kapot gingen bij mij. Toen ben ik ze maar zelf gaan maken om slide-guitar te kunnen spelen. Ik gebruik overigens een omgebouwde Fender ‘Frankenstein’ Tornado als liggende slide-guitar. En m’n andere gitaar is een Silvertone met vintage versterkers.

Is de recente single ‘Heart Skips a Beat’ een voorproefje van weer een nieuw album?
CC: We hebben alweer voldoende nummers opgenomen voor een volgende plaat. Maar die zal niet eerder dan in 2016 uitkomen omdat we heel 2015 nog aan het touren zijn. Hopelijk kunnen we daarna weer een promo-tourtje doen, “and really amp it up".

Discografie:
Homewrecker (2011)
Stay Classy (A Collection of Cover Songs) (2013)
Gold Fever (2014)

Eric Burdon is meer dan nostalgie alleen [interview]

Geplaatst op 26 May 2015 door Giel

Twitter facebook YouTube E-mail

Exclusief interview met: Eric Burdon
tekst & edit: Giel van der Hoeven
foto’s: José Gallois © The Blues Alone? / Getty Images©
locatie: Ribs & Blues Festival 2015 in Raalte
datum: zondag 24 mei 2015

Op het Ribs & Blues festival in Raalte toonde de Britse singer-songwriter Eric Burdon aan voor meer te staan dan slechts een nostalgische trip naar de jaren ‘60 en ‘70. De man is een legende die met de tijd is meegegaan. Natuurlijk zijn de Animals- en War-songs (o.a. ‘It’s My Life’ en ‘Spill The Wine’) parels uit de muziekgeschiedenis. En staan klassiekers zoals de Nina Simone cover ‘Don’t Let Me Be Misunderstood’ en ‘The House of the Rising Sun’ nog altijd als een huis in de gouden ochtendzon. Maar met het album ’Til Your River Runs Dry’ (ABCKO Records/UMC) leverde hij in 2013 gewoon weer een ouderwets goed album af. Met daarop prima blues- en rocksongs en nog steeds dat geweldige stemgeluid! Ook zijn huidige live-band kan zich met gemak meten met de grootste der aarde. Ja, even keken we zelfs verbaasd op toen de 74-jarige Burdon ons wist te melden een groot liefhebber te zijn van de indierock band Calexico! Zijn jongere vrouw Marianna houdt hem jong, zeker. Maar de voormalige Animal is nog zo kwiek als een hoentje en barst weer van de ambitie. ‘A voice from the past, but 27 Forever’.

Hallo meneer Burdon, u bent in Nederland voor twee live optredens, in Paradiso Amsterdam en hier op het Ribs & Blues Festival in Raalte. Wat zijn uw verwachtingen en wat kunnen de fans van u verwachten?
- Ik kom altijd erg graag naar Nederland. De mensen hier hebben een opvatting over vrijheid die wezenlijk verschilt van die in andere landen. We gaan een eerlijke, emotionele set spelen met songs die heel mijn carrière bestrijken, van de vroege Animals naar de blues waar we altijd in geworteld zijn geweest. Verder natuurlijk solowerk, misschien een paar War-songs, en materiaal van mijn nieuwste album, ’Til Your River Runs Dry’.

Heeft u ook speciale herinneringen aan Nederland?
- Oh ja, ik heb veel goede herinneringen aan optredens in Club Paradiso! Ik herinner me de Kerstmis van 1967 nog goed zelfs, Zoot Money’s psychedelische band, Dantalian’s Chariot, met daarin ook Andy Summers, stonden met ons op de affiche aangekondigd. Vlak voordat we met z’n allen naar Amsterdam zouden vertrekken kregen ze een auto-ongeluk in de buurt van Newcastle. Gelukkig raakte niemand serieus gewond, maar Andy brak wel zijn neus. Hij droeg dus een vrij grote pleister op zijn neus, en werd het onderwerp van veel grappen, haha. Een jaar later, speelde ik mét Zoot en Andy wederom in Paradiso, dit keer gezamenlijk in The Animals.

Het album ’Til Your River Runs Dry’ (2013) kreeg al vele positieve reviews. Bent u vandaag de dag – meer dan 2 jaar na het uitbrengen ervan – nog steeds tevreden met het eindresultaat?
- Absoluut. Ik ben echt blij met dit album en als je mij dezelfde vraag over een paar jaar weer stelt, sta ik daar nóg steeds achter. Daar ben ik van overtuigd! Het is een waar statement over mijn leven en het is de meest persoonlijke plaat die ik ooit gemaakt heb. Het weerspiegelt een periode waarin een aantal dingen gelijktijdig gebeuren. De leeftijd van 70 jaar bereiken had daar ook invloed op, ik werd min of meer gedwongen om terug te blikken én te inventariseren hoe ik nu in het leven sta. Het betreft onderwerpen die iedereen wel bekend zijn, zoals liefde, geloof, het verlies van vrienden en geconfronteerd worden met het onvermijdelijke. Alsmede geopolitieke kwesties met één van mijn grootste zorgen op dit moment: water. Iets wat nog veel te vaak als vanzelfsprekend wordt genomen De strijd tussen goed en kwaad blijft - maar het belang van waterconservering is momenteel groter dan het ooit is geweest. De song ‘Water’ werd geïnspireerd door een gesprek dat ik eens had met voormalig president van de Sovjet-Unie Michail Gorbatsjov. “The enemy does not know who the enemy is.”

“Water, water, water / To drink, to put down the fire / Water, water, water / The truth the shame the liar.”

Van dat album spelen jullie ook een aantal songs live. Welke daarvan zijn favoriet bij u?
- “Water” klinkt altijd goed, als een mantra of een chant die hardop kan worden meegezongen. En “Wait,” dat ik voor mijn vrouw Marianna schreef, en gaat over het belang van nooit opgeven. Het raakt een heleboel mensen die nog steeds op zoek zijn naar een vorm van liefde. “Bo Diddley Special” is ook altijd lekker om live te doen. Ik zong “The Story of Bo Diddley” 50 jaar geleden al op de eerste Animals plaat. Ik heb de indruk dat de cirkel nu rond is met deze song, rekening houdend met de invloed die Diddley op mij heeft gehad.

Als artiest heeft u een gigantische reputatie. De komende maanden gaat u in Europa voornamelijk cluboptredens en wat festivals doen. Zou u, gezien dat verleden, niet in veel grotere zalen moeten spelen?
- Ach, ik ga waar de plicht me roept. Of het nu een groot festival is of een meer intieme club, ik geef altijd alles wat ik in me heb, hoe dan ook.

Er gaan hier in Nederland nog steeds geruchten over het feit dat u tijdens een Paradiso optreden in juli 2009 een man op de eerste rij nogal boos een schop gaf. Kunt u dat uit de doeken doen?
- Nou, dit specifieke incident kan ik me niet echt meer herinneren, maar ik weet zeker dat ik er een goede reden voor had, haha! Ik herinner me wel een voorval van langer geleden, dat een junkie op de voorste rij vlak voor mijn neus zijn injectiespuit stond te prepareren. Hij had doodleuk zijn hele kit uitgestald op de rand van het podium! Aangezien ik erg slecht tegen kromme lepels en naalden kan verloor ik toen even mijn zelfbeheersing.

U zei eens dat ‘Genius + Soul = Jazz’ van Ray Charles uw all-time favoriete album is. Wat is uw eigen geheime formule?
- Hmm… Blues + Rock x time = Burdon4ever. Dáár ga ik voor…

Volgt u de hedendaagse muziekscène nog?
- Jazeker. Ik volg nu alweer een aantal jaren de indierock band Calexico uit Arizona. En onlangs hebben ze me uitgenodigd om op hun nieuwe album ‘Edge of the Sun’ mee te zingen, de bonustrack ‘Roll Tango’. Verder luister ik ook naar Ben Harper, Eric Bibb, Alabama Shakes… noem maar op.

Wilt u de jonge generatie muzikanten nog een tip meegeven?
- Luister naar de ouderen, experimenteer, repeteer voldoende en neem een goede advocaat.

In 1964 ging u als jonkie met de Animals zelf deel uitmaken van een wereld waarin uw idolen zich begaven. Tijdens uw eerste kennismaking met Amerika deelde u direct al de tourbus met Chuck Berry en Jerry Lee Lewis! Besefte u destijds hoe bevoorrecht u was?
-We realiseerde ons dat het een voorrecht was maar we besefte ook dat er een ontmoedigende taak voor ons was weggelegd; namelijk om het podium op te gaan na grootheden die we zelf zó veel bewonderden! Eigenlijk gedwongen om gebruik te maken van de gelegenheid. Ik moet nu toegeven dat ik volop heb genoten van die uitdaging.

U heeft dus een heleboel legendarische beroemdheden ontmoet in uw leven, van wie was u het meest onder de indruk?
-Ja, ik heb een heleboel interessante mensen ontmoet en ze hadden allemaal vertrouwen in zichzelf en waren niet bang om zich te uiten… Steve McQueen… Nina Simone… Ray Charles… Jimi Hendrix, om er maar eens een paar te noemen.

U bent ook bevriend geraakt met Jimi Hendrix, wat was – behalve dat het een virtuoos was – zijn beste eigenschap?
- Hij was kinderlijk enthousiast en had een goed gevoel voor humor. Op het podium was hij onaantastbaar, maar daarbuiten was hij een vriendelijk en nederig persoon.


[Eric met Jimi Hendrix en Bruce Springsteen]

In het midden van de jaren ‘70 speelde Bruce Springsteen tijdens zijn Born to Run tour regelmatig ‘It’s My Life’ van de Animals. En op het SXSW 2012 festival in Austin Texas sprak hij lovend over The Animals; het zou de belangrijkste band zijn geweest waardoor zijn eigen muzikale visie vorm kreeg. Zou een samenwerking in de toekomst wellicht tot de mogelijkheden behoren?
-Bruce is een oprechte kerel, ik heb hem ooit een ‘powerhouse’ genoemd. Vorig jaar heeft hij ook ‘Spill the Wine’ gespeeld tijdens zijn Australische tour. Hij heeft daarmee, en met zijn vriendelijke uitspraken over ons, er zeker voor gezorgd dat ik weer meer in de belangstelling kwam te staan. Aandacht die ik in járen niet meer had gehad van de rock-pers. Zelfs Rolling Stone magazine was plotseling weer nieuwsgierig naar mij. Het was ook een groot genoegen om hem te vergezellen op het podium, zowel op SXSW als in Cardiff. Ik sta er zeker open voor en zou vereerd zijn om songs met hem op te mogen nemen.

Wat betekent de inductie van The Animals in de Rock and Roll Hall of Fame sinds 1994 voor u?
-Het is een eer om te worden erkend voor je artistieke werk. Maar vele anderen, eveneens verdienstelijke kunstenaars, zullen daarentegen nooit op deze manier erkend worden. Dus ik heb de neiging om dit soort erkenningen met een korreltje zout te nemen.

Nina Simone’s ‘Don’t Let Me Be Misunderstood’ is nog tientallen malen gecoverd nadat The Animals er een hit mee hadden. Wat is volgens u de beste versie ooit van deze wereldhit?
- Nina Simone’s versie werd nooit overtroffen. Ze was echt “pissed” toen ze onze versie van de song voor het eerst hoorde! Maar toen we elkaar ontmoette begreep ze wel dat wij grote fans van haar waren. Sindsdien zijn we elkaars beste vijanden, haha.

Hoe houdt u die ongelooflijke stem in vorm? Eieren? Wodka? Marihuana? Frisse lucht?
- Niets speciaals, maar dank voor de aanbieding. Ik ben gezegend met een stem die door de jaren heen nauwelijks verandert is. Je zou kunnen zeggen dat ik begon te zingen als een oude bluesman en dit 50 jaar later nog steeds doet.

U zei eens: “Ik droom voortdurend over wat ik verder nog kan doen.” Wát gaat u nu nog doen?
-Ik doe steeds nieuwe ideeën op voor een volgende plaat, maar op dit moment ben ik ook hard bezig met mijn memoires. Die hoop ik einde van dit jaar af te kunnen hebben. We zijn ook alweer geruime tijd bezig met het verzamelen van beeldmateriaal voor een mogelijke levens documentaire, maar echt een concreet plan is daar nog niet voor op dit moment.

Wat zou u – behalve een uitnodiging in het Witte Huis – nog wensen?
Alles wat ik graag zou willen is: vrede op aarde, inclusief het verbeteren van de kwetsbaarheid van deze aarde. President Obama heeft nu nog slechts een jaar om mij uit te nodigen in het Witte Huis. Ik weet dat hij van muziek houdt, dus ik veronderstel dat dat inderdaad nog een keer zal gaan gebeuren.

Er komt een keer een dag dat u Chuck Berry, Ray Charles, John Lennon en Jimi Hendrix weer gaat ‘ontmoeten’… Hoe wilt u hier in herinnering blijven?
Hopelijk, worden we allemáál herinnerd als eerlijke oprechte muzikanten. Met de intentie om de luisteraars ontspanning te bieden, maar hen ook muziek met diepgang te laten vóelen.

Tot slot wil ik u vriendelijk bedanken voor de antwoorden meneer Burdon!
- Graag gedaan. Jij bedankt voor het stellen van de vragen.

Ribs & Blues festival review volgt spoedig.

David Grissom interview - kid from Kentucky trots op Texas

Geplaatst op 9 May 2015 door Giel

Twitter facebook YouTube E-mail

Exclusief interview met: David Grissom
in: Hotel Emma Rotterdam
tekst: Giel van der Hoeven
foto credits: © Greg Vorobiov, René Geilenkirchen, div. bron zoals vermeld.
voor: The Blues Alone?
datum: dinsdag 5 mei 2015

Soms vraag je jezelf af waarom sommige artiesten een leven lang in de schaduw van andere staan, terwijl ze misschien wel getalenteerder zijn dan hun voorman of -vrouw? Aanvankelijk leek dat voor de Amerikaanse gitarist David Grissom ook op te gaan. En ondanks dat hij al sinds de jaren negentig op eigen benen staat, is dat voor hem in Nederland nog steeds het geval. Hoe valt anders de matige verkoop van het uitstekende album ‘How It Feels To Fly’ (2014) en in deze Europese tour slechts één schamel optreden - Gebr. De Nobel in Leiden - te verklaren? En dat is jammer want de Grissom-sound is zowel op zijn platen als live niet te versmaden. Bovendien tourde en nam David Grissom op met o.a. Lucinda Williams, John Mellencamp, Joe Ely, The Allman Brothers Band, Buddy Guy, John Mayall, Ringo Starr, The Dixie Chicks, Chris Isaak, Robben Ford, The FabulousThunderbirds en zijn eigen band Storyville met daarin SRV’s Double Trouble bandleden! Voorwaar niet de minste in de internationale roots-, rock- en blues scene. En allen maakte ze dankbaar gebruik van deze (import) Texaan zijn diensten. Steeds, zoals we hem kennen in die karakteristiek half gebogen houding, wanneer hij weer eens zo’n weergaloze solo speelt. Volledig één met zijn PRS DGT signature gitaar. Tja, wij hebben nou eenmaal een zwak voor Texaanse gitaristen en we proberen ze dan ook zoveel mogelijk te volgen. In dit kader moet u ook het koffietafelboek The Sound of Austin van fotograaf Mathew Sturtevant maar eens een keer doorbladeren. Hierin is weergegeven hoe Austin en haar muzikanten ook visueel aantrekkelijk kunnen zijn. “Austin is voor mij een opbeurende stad, ik ben blij in de Texas Gemeenschap te zijn opgenomen,” aldus Grissom.

Hallo David, je bent hier alleen even op tussenstop in Rotterdam begrijp ik?
- Ja, deze tour is een soort wervelwind met 24 shows in 29 dagen naar 6 verschillende landen. We komen uit Schotland, hebben Noorwegen gehad en we gaan zo meteen weer naar Denemarken. Maar zondag zijn we weer even terug in Holland voor een optreden hier.

Waarom doen jullie hier maar één optreden eigenlijk, in Gebr. De Nobel in Leiden?
- De tijd was beperkt en de promotor moest het ook allemaal logistiek aan elkaar zien te breien. Daarom rijden we nu van hot naar her, we hebben er al bijna 10.000 km opzitten. Ik ben blij als laatste nog in Holland te kunnen spelen temeer omdat onze drummer Jan Pohl een Nederlander is. Ik had ook graag in Frankrijk en Italië gespeeld, helaas komt dat er allemaal niet van deze tour. Anders zou het ons meer gaan kosten dan dat het oplevert. Maar wellicht dat we volgend jaar weer terug komen.


David & Jan [© foto: Ursula Le Guin 2015]

Hoe verlopen de Europese optredens tot dusver met dit gelegenheidstrio?
- Fantastisch! Zeker als je in ogenschouw neemt dat we elkaar twee dagen voor het eerste optreden in Duitsland nog nauwelijks kende en maar drie uur hebben gerepeteerd. Chris Maresh komt ook uit Austin en hij was bassist bij Eric Johnson. Met hem had ik wel eens eerder gejamd. Ik wilde hem er graag bij hebben omdat mijn vaste bassist Scott Nelson nu met met Kenny Wayne Sheppard aan het touren is. In de VS is Bryan Austin mijn vaste drummer, maar ik kon maar één man meenemen deze tour. Dus ook toetsenist Stefano Intelisano is er nu niet bij helaas. Met drummer Jan Pohl had ik dus nog nooit eerder gespeeld. Hij heeft zich fantastisch voorbereid en is een goeie kerel, “we get along great”. Vergeet niet, het is keihard werken hoor, zes avonden op rij optreden en maar één rustdag. Dat vereist een ijzeren discipline en karakter.

Je groeide op in Louisville, door wie of wat werd je daar als eerste beïnvloed om muziek te gaan maken?
- Eén van de eerste dingen wat me muzikaal heel erg aansprak was de bluegrass revival in de jaren zeventig. Ik luisterde als kind veel naar folk- en country artiesten zoals Norman Blake en Dock Watson. Er was een bluegrass club in mijn woonplaats maar ik was nog te jong om naar binnen te mogen, maar met een valse id-kaart lukte dat soms wel. Ik heb daar heel wat goede artiesten zien optreden waar ik veel van heb opgestoken, ook in de context van blues- en rockmuziek trouwens.


David op zijn PRS DGT [© foto: Corinna Neuauer 2015]

En welke gitarist zette je als eerste aan om ook elektrische gitaar te gaan spelen?
- Dat is ongetwijfeld door het Beatles album Revolver (1966) gekomen. En met name de song ‘Got to Get You into My Life’. Daarin zit een gitaarpartij [hij neuriët de riedel voor - red.] die voor mij zo magisch klonk, dat ik besloot over te stappen van drums naar de elektrische gitaar. Ik denk dus dat het George Harrison geweest is maar dat weet ik niet zeker omdat er tijdens de opnamen nog diverse extra gitaarpartijen aan het nummer zijn toegevoegd. Toen ik aanvankelijk zelf ging spelen kwamen ook Jimi Hendrix en de Rolling Stones in beeld. Mijn eerste gitaarleraar was gek met Hendrix en Keith Richards maar de volgende leraar was weer helemaal into the blues, zoals Magic Sam, BB King en Paul Butterfield. Vervolgens had ik een derde gitaardocent die mij kennis liet maken met muziek van jazzgitaristen als Wes Montgomery en bebopgitarist Kenny Burrell. Het leuke van dat alles was dat niemand in Kentucky het in zijn hoofd haalde om je te vertellen dat je al deze stijlen niet door elkaar zou kunnen spelen. Ik heb het dus over een tijd ver voor de internetblogs en fora waar kids elkaar nu vertellen wat er wel of niet cool zou zijn.

Maar uiteindelijk ben je begin jaren tachtig toch van Kentucky naar Texas verhuisd?
- In Austin gebeurde eigenlijk alles wat me toen aansprak: Lou Ann Barton, The Fabulous Thunderbirds, Joe Ely, The LeRoi Brothers. De singer-songwriter Lucinda Williams kende eigenlijk nog niemand, maar zij was het die me vroeg om in haar band te komen spelen. En na twee weken stonden we al op het New Orleans Jazz & Heritage Festival festival. “It was an eye-opening experience for me!” We sliepen in een hotel met Richard Thompson, Grandmaster Flash en Roy Orbison, en we trokken gewoon als vrienden met elkaar op! Kan je het je voorstellen? Ik, “the kid from Kentucky!”

En nu sta je zelfs vermeld in het koffietafelboek The Sound Of Austin van fotograaf Mathew Sturtevant. Trots?
- Uiteraard! Erg trots. Austin is voor mij een opbeurende stad, ik ben blij in de Texas Gemeenschap te zijn opgenomen.


Koffietafelboek The Sound of Austin van fotograaf Mathew Sturtevant

Door de plaat ‘Live at Liberty Lunch’ (1990) van Joe Ely kwam je nog meer in de spotlampen te staan. Was dat je grote doorbraak in Amerika?
- Ik weet niet of het door die plaat kwam maar optreden met Joe Ely is zeker goed geweest voor mijn persoonlijke ontwikkeling als live gitarist. Joe gaf me, anders dan ik voorheen gewend was, veel vrijheid in zijn band. Dat kon ook door de samenstelling van die band met slechts gitaren, bas en drums. Ik heb zes jaar lang erg prettig met hem gewerkt.

Toch stapte je in 1991 over naar de band van John Mellencamp om de plaat ‘Whenever We Wanted’ op te nemen en om met hem te gaan touren. Waarom?
- Dat was wéér een grote stap voor me maar ook een nieuwe uitdaging. Van de clubs en theaters naar de arena’s en televieshows, zoiets. Ik moest me weer opnieuw waarmaken want ik kwam als groentje immers zijn getrouwe gitarist Larry Crane vervangen die John al sinds 1976 begeleide. Maar John had besloten een koersweiziging in te zetten, niet alleen door “Cougar” uit zijn naam te laten, maar ook om meer stevige heartland rock zonder traditionele instrumenten zoals de viool te gaan maken. En het was echt geweldig om met hem te werken in de studio, hij kan van een drie-akkoorden folksong een te gekke rocksong maken, die gave heeft hij gewoon. Maar drie intensieve jaren met Mellencamp onderweg was genoeg voor mij.


David met Cheryl Crow, John Mellencamp, Storyville, Joe Ely Band w/ Jimmy Pettit & Bobby Keys, Derek Trucks, Warren Haynes [© foto: DG 2014]

Tijdens die Whenever We Wanted tour trad de John Mellencamp Band op 6 april 1992 in het Haagse congresgebouw op. Een optreden waar ik zelf ook als bezoeker aanwezig was. Zou het kunnen zijn dat jij daar ook was? ;)
- Absoluut. Alles van 1991 t/m 1993 heb ik nonstop met John Mellencamp meegemaakt. En ik kan me zelfs dat bewuste optreden nog goed herinneren. De enige show in drie jaar tijd waar het publiek de hele avond bleef zitten in de pluche stoelen. John wist even niet meer hoe hij het had, haha. Want zeker in de VS waren we gewend dat het publiek vanaf de eerste tonen al opstond om mee te zingen. Uiteidelijk in de toegift kwam dat toch nog goed maar het was een vreemde gewaarwording voor ons.

Na een muzikale samenwerking met de Dixie Chicks en succes met je band Storyville kreeg je meer aanzien in de muziekscene. Toch kwam je eerste solo-album pas in 2007 uit. Waarom heeft dat zo lang geduurd?
- Ik had het gewoon té druk met het voor anderen werken. Pas met Storyville ben ik meer zelf gaan schrijven. En na die tijd heb ik veel met verschillende artiesten opgenomen in Nashville. Ik had daar ook een publishing deal maar vreemd genoeg waren de songs die ik voor allerlei country artiesten schreef weer niet geschikt voor mezelf. Na een jaar of zes heb ik besloten om wél voor mezelf te gaan schrijven en componeren. Ik vind het nog steeds prima om in dienst van andere te spelen hoor, maar de meeste voldoening haal ik momenteel toch uit mijn eigen solowerk.

Inmiddels heb je vier solo-albums uitgebracht. Op de laatste ‘How It Feels To Fly’ (Wide Lode Records 2014) staan acht eigen composities maar ook twee live tribute-songs. Waarom is dat?
- Om te beginnen wist ik op de avond dat deze tribute-songs zijn opgenomen aanvankelijk niet eens dat dit zou gaan gebeuren. Toen ik het vernam hadden we zoiets van, laten we dan ook maar gelijk de classics spelen. In 1993 heb ik een aantal maanden Dickey Betts vervangen in The Allman Brothers Band, vandaar ‘Jessica’. En ZZ Top’s ‘Nasty Dogs And Funky Kings’ was één van mijn favoriete songs om te spelen toen ik nog op de Highschool zat. Ook tijdens deze tour verwachten de mensen dat we ‘Jessica’ spelen, maar zonder toetsenist beginnen we daar niet aan. Het moet natuurlijk wel een eerbetoon blijven.

Was Derek Trucks al aanwezig toen je in 1993 met de Allman Brothers Band optrad?
- Warren Haynes, bassist Allen Woody en ik waren de gitaristen in die samenstelling. Ik zag daar toen ook een jochie van 14 jaar op het podium staan en vroeg: “dat meen je niet, ga jij ook met The Allman Brothers meespelen?” Hij zei niets, speelde drie noten en ik was overtuigd! Werkelijk een reïncarnatie van Duane Allman, ik stond perplex na die eerste ontmoeting. Echt ongelooflijk! En ‘the kid’ Derek Trucks is nu nog steeds één van mijn favoriete gitaristen ooit.


David Grissom trio in Red River Saloon 2015 [© foto: René Geilenkirchen]

Je hebt met je solowerk bewezen over een unieke stijl en benadering te beschikken. Zit er alweer een vijfde plaat in de planning?
- Zeker wel, ik schrijf voortdurend. Kijk, ik realiseer me dat ik een bevoorrecht mens ben omdat ik met al die grote artiesten heb mogen spelen. Maar een geweldige gitaarpartij spelen in een geweldige song heeft zóveel meer betekenis voor me dan een “great hook” op een middelmatige song, als je begrijpt wat ik bedoel. Je streeft toch altijd weer naar het schrijven van nóg betere songs. “That’s what excites me!” Ik weet ook dat ik niet de beste zanger ben, maar ik doe het gewoon graag. Mijn zangstem doet jou aan Drive-by Truckers denken zeg je? Dat lijkt me geen belediging, ik ken ze niet persoonlijk maar ik kan me er wel mee vereenzelvigen.

We mochten een paar jaar geleden Eric Steckel interviewen. Hij was toen erg trots op zijn nieuwe PRS signature guitar. Jij was één van de eerste gitaristen die Paul Reed Smith guitars ging vertegenwoordigen. Wat heeft jou daarvan overtuigd?
- Toen ik naar Austin kwam speelde echt iedereen een Stratocaster, ik ook. Maar iets in me zei dat ik eens wat anders moest uitproberen. Ik zag een advertentie van PRS in een muziekmagazine staan en toen heb ik ze benadert. Dat was in de tijd dat ik bij Joe Ely speelde. In combinatie met een oude Marshall versterker ben ik zo langzamerhand onbewust een eigen geluid gaan ontwikkelen. In de studio heb ik altijd verschillende gitaren bij me. Op mijn Les Paul of Strat speel ik op een bepaalde manier ook fijn. Gibson en Fender zijn grote namen met een rijk verleden, PRS niet, dat is eigenlijk nog een onbeschreven boek. Ik denk dat ik dát juist zo aantrekkelijk vindt. Het is altijd lastig om te beantwoorden of je een favoriete gitaar hebt maar de PRS DGT signature is momenteel de perfecte gitaar voor mij [Zie hier een Paul Reed Smith & David Grissom video-interview - red.]


In karakteristieke half gebogen houding [© foto: Shawn Oliveira]

Wat kunnen we in de toekomst verder nog van David Grissom verwachten?
- Volgende week vlieg ik terug naar de VS en dan ben ik tien dagen vrij. Daarna ga ik drie weken met Robben Ford touren en heb ik nog wat sessiewerk te doen. Vervolgens wil ik weer zo snel mogelijk aan mijn vijfde soloalbum gaan werken, dat nu ongeveer voor de helft af is. Verder zou ik volgend jaar graag terug komen naar Europa maar de optredens moeten hier - vooral in Duitsland - zó ver van tevoren worden geboekt, dat ben ik niet gewend. Dus daar ligt nog een schone taak voor mijn agent weggelegd. Maar jullie gaan zeker nog meer van me horen.

Discografie:
2000: Texas Boy (Sky Malone With Double Trouble, David Grissom and Riley Osbourne)
2007: Loud Music (Wide Lode Records)
2009: 10,000 Feet (Wide Lode Records)
2011: Way Down Deep (Wide Lode Records)
2014: How It Feels To Fly (Wide Lode Records)

David Grissom - 2015 Tour:

Full Leiden-show with David Grissom on YouTube.