Archief voor de categorie 'Interviews'

Brother Dege: creativiteit als religie [interview]

Geplaatst op 4 January 2017 door Giel

Twitter facebook YouTube E-mail

Exclusief interview met: Brother Dege
tekst & filmpje: Giel van der Hoeven
foto’s: José Galloise © The Blues Alone?
locatie: Ribs & Blues Festival 2016 in Raalte
datum: maandag 16 mei 2016

Dege Legg (spreek uit: “deejdz”) is ruim veertig jaar geleden geboren en getogen in Lafayette, Louisiana. Zijn ouders zijn van Cajun-Franse, Ierse en Indiaanse afkomst. Maar de artiest Brother Dege zou net zo goed een liefdesbaby van Son House en Patti Smith kunnen zijn. Hij noemt zichzelf één van de best bewaarde geheimen uit het Diepe Zuiden; een muzikant, schrijver en werkman. Bewapend met zijn resonator gitaar, rasperige strot, scherpe teksten en een gedienstige band gaat hij zijn persoonlijke strijd aan met de wereld, die hij soms best wel begrijpt maar de wereld snapt hém niet. Dat doet hij te vuur en te zwaard, zo nodig. Zijn recente album ‘How To Kill A Horse’ is een aanwinst in het… tja, in welk genre eigenlijk? Hij kwam er zelf ook niet helemaal uit tijdens ons interview. Dat aanvankelijk nogal wazig verliep omdat de farout dude nog bij moest komen van zijn intensieve optreden. Maar na een versnapering en een stevige niesbui (“Sorry… maar er hangt iets in lucht hier in Nederland”) kwam de redenaar in hem los. Soms werd zijn enthousiasme zo groot dat hij de vraag al onderbrak voordat die gesteld was. Het antwoord volgde dan soms met gesloten ogen, om beter na te kunnen denken: “composing my thoughts because my mind jumps around”. Het werd een onderhoudend gesprek met deze markante maar interessante kerel. Zoals we in het concertverslag al aangaven: He’s a crazy motherfucker, but harmless and peaceful like Jezus.

Hallo Dege, waarom zouden de mensen naar een Brother Dege liveshow moeten komen?
Waarom? Omdat het ondanks de soms donkere maar zeker niet depressieve muziek een gewaarwording is. Een transcendente spirituele ervaring waarbij iedere dag gevierd mag worden. Althans, zo ervaar ik het zelf in deze tour door de UK, Ierland en Nederland. “We’ve been hitting it hard” en het bevalt ons prima. Nu ben ik 13 dagen vrij en eind mei touren we weer verder.

Jullie spelen Psyouthern roots music; een post-Americana stijl van Delta Blues met invloeden uit roots- en rockmuziek. Wat maakt dit genre uniek?
Yeah, uhh… ik zou het zelf beschrijven als: Thinking Man Southern Rock. De Pink Floyd’s in de jaren ‘60 maakte meer Psychedelische Spacerock vanuit de innerlijke geest. Ik maak muziek vanuit surrealistische psychedelische ervaringen opgedaan in het Zuiden van de VS, beïnvloed door weidse landerijen, koeien, slangen en ongedierte. “Where the universe is spinning around you on a trip.”

Hoe was het om op te groeien in Lafayette, Louisiana, werd je er al jong beïnvloed door de traditionele muziek uit die streek?
Daar opgroeien was cool. Maar ik was een buitenstaander als tiener en luisterde naar punkmuziek en heavy metal. In een omgeving van cajun-, zydeco- en folkmuziek. Het deed mij toen totaal niets! Ik wilde herrie horen: Black Flag en Black Sabbath. Later realiseer je wel dat de traditionele stijlen als een natuurlijk bestandsdeel in je genen zitten. Dat hoor je nu terug in mijn huidige songs. Zoals, laat ik zeggen, een Poolse muzikant altijd de polka in zich zal hebben.

Je gitaarspel herinnert me soms aan Ry Cooder…
“I love Ry Cooder!” In mijn jeugd zag ik de roadmovie Paris, Texas van de Duitse filmregisseur Wim Wenders. De film was oké maar vooral de soundtrack greep me aan. Dat was de eerste keer dat ik een akoestische slideguitar hoorde, zo mooi! Cooder’s atmosferische gitaarspel is onevenaarbaar. Oh, wist je trouwens dat een van de beste slidegitaristen ter wereld in Lafayette woont? Sonny Landreth, “the King of Slydeco”. Die kerel is ook zó virtuoos. Ondanks dat ik ook slide speel heb geprobeerd om vooral niét in zijn voetsporen te treden, dat is onmogelijk.

Een andere gitaarvirtuoos Joe Bonamassa was onder de indruk van je liveoptredens…
Oh ja? Te gek! Ik heb hem nooit ontmoet maar weet wel dat hij een jaar of wat geleden een van mijn albums leuk vond. Maar plaats mij niet in die categorie van die topgitaristen hoor. Ik ben een singer-songwriter van liedjes waarin ik beelden probeer te creëren. En ik gebruik daarbij een (slide)gitaar als instrument, een tool.

Je speelt ook dobro en poseert ermee op de albumhoes van ‘Folk Songs of the American Longhair’ uit 2012. Heeft dit instrument een speciale betekenis voor je?
Yeah, ik hou van dat instrument. Toen ik voor het eerst een resonator hubcap gitaar zag was ik direct onder de indruk van dat instrument. En toen ik het geluid ervan hoorde was ik helemaal verkocht. Wauw! Dat klonk zó gaaf en zó anders. Vervolgens heb ik er ook eentje aangeschaft en ben ik Delta Blues en oude bluesmuziek gaan luisteren; John Lee Hooker, Blind Willie Johnson, Robert Johnson. Mijn dobro is gemodificeerd met twee Pick-upsets, zodat ik er ook soloshows mee kan doen. Maar ik behandel het niet als mijn baby hoor… nee joh, ik ga er juist lekker op tekeer! Zoals Bukka White dat deed: “I play it rough - I stomp ‘em - I don’t peddle ‘em.”

In je roadmovie ‘Set It Off: Brother Dege & The Brethren’ speel je letterlijk met vuur. Waarom ben je zo geobsedeerd door vuur?
Haha, die film is voornamelijk met smartphones opgenomen toen we in de zomer van 2014 door de VS en Europa tourden. Soms bevestig ik vuurwerk op de body van mijn dobro en houdt die dan vuurspuwend boven m’n hoofd. Ik ben geen pyromaan of zo maar vindt het soms gewoon leuk om dingen in de fik te steken. Bluespuristen vinden dat maar niks, “het is geen KISS-concert, dude!”, zeggen ze dan. Omdat het hier op Ribs and Blues een optreden bij daglicht was heb ik het maar niet gedaan, daar was de podiumverhuurder wel blij mee vermoed ik, haha. Je mag het publiek gerust een beetje afzeiken om ze te inspireren hoor. Over zo’n act is niet bewust nagedacht maar zie het als een ritueel. Offeren aan de scheppingskracht en het aanbidden van de creatieve gaven: “giving it back to the people, to the gods".

Heeft de Tarantino-film Django Unchained je meer roem gebracht?
Quentin Tarantino is één van de beste filmregisseurs aller tijden. De mensen associëren hem niet voor niets met: “outside the box thinkin’ and great music”. Als zo’n grootheid dan persoonlijk mijn song ‘Too Old to Die Young’ uitkiest voor zijn film ‘Django Unchained’ is dat natuurlijk een eer van jewelste! Zeker tussen artiesten als James Brown en Ennio Morricone. Natuurlijk heb ik daardoor meer naamsbekendheid gekregen maar hey, dat maakt je nog geen rockster of zo hoor. Er is zoveel gaande in de muziekindustrie, goede muziek maar ook veel troep helaas. En alles moet gepromoot worden. Ik heb geen geldschieters en zelfs geen manager, bij mij is alles ruw en ongedwongen. Voor de officiële ‘Too Old to Die Young’ videoclip had ik een paar oude vrienden uitgenodigd en de getto motelkamer afgehuurd waar ik een tijdje gewoond had toen ik nog arm was, haha.

Je bent ook liefhebber van beeldende kunst, Vincent van Gogh en Pablo Picasso zijn je favoriete kunstschilders. Schilder je zelf ook?
Nee, ik ben zelf een afschuwelijk slechte visuele kunstenaar! Maar wel een groot bewonderaar van de schilderkunst. Ik waardeer het zeer en zowel het werk als de levens van Van Gogh en Picasso hebben invloed gehad op mijn songs. Ik ben hier laatst nog in het Kröller-Müller Museum in Otterlo geweest bij een Van Gogh expositie, indrukwekkend. En de schilderijen van Picasso spreken zelfs mensen aan die niets om kunst geven, zo magisch zijn die.

Kun je zeggen dat je loopbaan ook kan worden ingedeeld in verschillende stijlperioden, zoals bij Picasso?
Ja, dat is misschien wel een mooie vergelijking. In omgekeerde volgorde dan wellicht: abstract, surrealistisch, klassiek… als het een goede song is hoor je dat direct, dat komt overeen met schilderkunst. Maar dat wil nog niet zeggen dat het ook een klassieker is. Ik weet niet of mijn songs ooit als kunst worden ervaren en aanvaard. Dat konden Jimi Hendrix en Bob Marley 40, 50 jaar geleden ook niet bevroeden. Ik wil het ook niet weten want ik hou juist van ‘het onbekende’.

Het is pas een goede song wanneer het akoestisch op één gitaar gespeeld aanspreekt?
In feite wel ja, of hooguit met twee instrumenten, zoals bijvoorbeeld een mondharmonica erbij. Woody Guthrie en Bob Dylan deden niet anders. En hun stemmen waren niet uitzonderlijk goed, evenals hun gitaarspel (van mij ook niet trouwens) maar het klonk wel ongelooflijk magisch. Zoals een wiskundige vergelijking, vaak niet te verklaren. Ik componeer eigenlijk ook altijd alleen op m’n akoestische gitaar of met de dobro. Piano speel ik nauwelijks en de elektrische gitaar vind ik er minder geschikt voor.

Zo heb je inmiddels negen albums gemaakt maar ook twee boeken geschreven. Was het schrijven van die romans een statement of slechts tijdverdrijf?
Haha, dat is een goeie vraag. Ik doe het hoofdzakelijk voor mezelf als een soort therapeutische bezigheid. Dat geldt eigenlijk ook voor het schrijven van mijn muziekteksten, waarbij het meegenomen is dat daar wel een publiek voor is. The Battle Hymn of the Hillbilly Zatan Boys is een maf (“kooky”) fantasieboek en Into the Great Unknown zijn gepende roadjournals van de band Santeria. Het creatieve proces dat tot deze schrijfsels leidt, maar ook songs schrijven, in mijn eentje in een kamertje, vind ik echt heerlijk om te doen. Zoals een hoefsmid het in zíjn ambacht fijn vindt om op een stuk ijzer te ranselen. Ik heb het schrijven gewoon nodig om geestelijk te kunnen overleven.

In een ander beroep vind je die voldoening niet?
Poeh, zal ik de schijtbaantjes opnoemen die ik allemaal gehad heb? Bordenwasser, kok, fabrieksarbeider, bezorger, automonteur, machinist, daklozenopvangmedewerker, journalist en taxichauffeur. Maar ach, door in mijn eigen tijd creatief te blijven zorgde ik ervoor dat die dayjobs geen tijdverspilling werden. Als taxichauffeur heb ik zelfs weer inspiratie opgedaan. Ik deed de nachtritten gecombineerd met optredens overdag of ’s-avonds. De ervaringen achter het stuur schreef ik op in een onlineblog ‘Cablog: Diary of a Cabdriver’, wat ik nu weer tot een boek aan het bewerken ben, allemaal ware verhalen dit keer.

Je hebt al veel gedaan maar is er nog een droomproject wat je zou willen doen?
Nee niet specifiek, ik doe waar ik me happy bij voel en wat er op mijn pad komt. Dromen hoeven niet altijd verbonden te zijn met succes. Zelfs als je geen cent te makken hebt is er behoefte aan erkenning en waardering. Omdat je niet van de wind kunt leven zal je als kunstenaar wellicht ook rotbaantjes moeten doen. Dat neemt niet weg dat je het een niet met het ander zou kunnen combineren. Ik heb momenteel niets te klagen man, ik leef gezond en stop mijn craziness in creativiteit in plaats van in waanideeën als gevolg van drank en drugs. Creativiteit is de beste religie.

Revel In Dimes - ready for a rough ride [interview]

Geplaatst op 30 August 2016 door Giel

Twitter facebook YouTube E-mail

Exclusief interview met: Revel In Dimes
tekst & video: Giel van der Hoeven
foto’s: José Gallois © The Blues Alone?
locatie: Ribs & Blues Festival 2016 in Raalte
datum: zondag 15 mei 2016

De New Yorkers, drummer Washington “Washy“ Duke en zanger/gitarist Eric Simons, begonnen ooit als tweemans band. Als een Sjors en Sjimmie van de ritmiek haalde ze kattenkwaad uit op houseparty’s en in de nachtclubs van Brooklyn. Zangeres Kia Warren en later multi-instrumentalist Chris “Premo” Waller (bas, harmonica, zang) ­ die al furore maakte in de New Yorkse underground scene ­ bleken een gouden greep te zijn. Revel In Dimes was in 2013 een feit en de band “was ready for a rough ride”. Die muzikale reis bracht hun dit voorjaar naar Europa voor 13 optredens in 10 dagen tijd. De band verraste het TBA?-team reeds aangenaam op het 31e Moulin Blues Festival te Ospel. En op het 20e Ribs & Blues Festival in Raalte deden ze dat nog eens retestrak over.

Die verfrissende optredens werden beloond met positieve reviews en de vergelijking met het Nederlandse ‘My Baby’, die ook aan een zegetocht bezig zijn, was gauw gemaakt. Eveneens een band die de nieuwe lichting muziekliefhebbers ‘opvoeden’ met muziek uit de vorige eeuw verpakt in een hedendaags swingend jasje: een psychedelische vorm van deltablues met invloeden uit de boogie en swamp-rock. Of zoals deze band het zelf omschrijft: “there is boot-stompin’, soul-shakin’ rock ‘n roll and then there is reveling in Revel in Dimes”. Ze zijn ook nog eens een stel dat wars is van sterallures, dus een interviewafspraak was gauw gemaakt. In afwachting van de andere bandleden keuvelen fotograaf José en uw interviewer alvast wat met zangeres Kia in de als kleedkamer dienende portocabin. Ons compliment dat Revel In Dimes op muziekgebied “one of the best new things from New York” van de laatste jaren is, wordt ontvangen met een vreugdevol: “awsome, that’s a huge compliment!” Kia geeft aan niet langer meer te willen wachten op de andere bandleden en ze stelt verwachtingsvol voor om dan maar alvast van wal te steken. Dat doen we met genoegen.

Hallo Kia, Revel in Dimes heeft het druk momenteel. Vandaag speelde jullie al op het Over De Top festival in Lichtenvoorde, gisteren in Blues Town Kwadendamme en vorige week o.a. op Moulin Blues Ospel. Hoe bevalt het in Nederland?
Kia: Oef, weet je, als al onze concerten zouden zijn zoals hier in Holland dan hadden wij geen reden om boos of verdrietig te zijn. Ik spreek voor mezelf, maar zodra ik het podium opstap voel ik een “wave of love and energy” van het Nederlandse publiek over me heenkomen. Dat begon al op het Bevrijdingsfestival in Zwolle en het duurt maar voort. Onderhand 13 gigs in 10 dagen tijd.

Is dat anders in New York?
Kia: In de VS zijn festivals meer gebaseerd op grote namen en moeten beginnende bands als wij het hebben van optredens in het clubcircuit. West-Europa heeft toch een hele andere festival-traditie. Bovendien weten jullie onze muziek meer te appreciëren en naar waarde te schatten, is mijn bescheiden mening.

Hoe kwamen jullie op de bandnaam Revel In Dimes?
Kia: Eigenlijk is dat nog van voor mijn tijd, maar het is een uitdrukking en het betekent dat je tevreden bent met weinig; kuieren in kleingeld, feitelijk.

Als de drie andere bandleden ook binnenkomen en zich luidruchtig op de klaarstaande chips zakken en drankflessen storten, vraag ik hoe de mannen elkaar ontmoet hebben. Washington ‘Washy’ Duke die tegenover mij is gaan zitten neemt als eerste het woord.
Washy: Eric en ik kende elkaar al langer uit diverse bands. We bleken dezelfde muzikale voorkeur te hebben voor het soort juke-joint rock ‘n roll blues dat ook door Junior Kimbrough en R.L. Burnside gespeeld werd. We besloten iets dergelijks als duo ook te gaan doen, ik de drummer en Eric zong en speelde op een flink overstuurde elektrische gitaar. Op een avond toen we in een club op Long Island [The Surf Lodge in Montauk - red.] gespeeld hadden, kwam er een kerel naar ons toe die vroeg of een clubmedewerkster een paar songs mee mocht doen met ons…
Eric: “…we zijn geen karaoke machine!”, riep ik gelijk, ha ha!
Washy: Maar die knul, die zich had voorgesteld als de manager én vriend van Kia Warren, beloofde ons een extra optreden…
Eric: … én de nodige whisky die avond!
Washy: Ha ha, ook dat ja. Maar ze zong mee “and we were just blowin’ away”. Sindsdien is Kia onze vaste zangeres. Vervolgens kreeg ik een tip dat ene bassist “Premo” (Chris Waller) genaamd, naar een band op zoek was. Het ontstond heel organisch allemaal, zonder audities.

Wat onderscheid jullie sound van andere (nieuwe) New Yorkse bands?
Eric: wij spelen geen standaard bluesmuziek maar hebben een eigen specifiek geluid. Wij streven de stripped-down North Mississippi bluessound na, gecombineerd met het soul-, r&b- en rock ‘n roll geluid van Kia - die meid zingt werkelijk alles! - en de bas en vocale inbreng van Premo, die ook nog eens bluesharp speelt. Dát maakt ons als band uniek.
Premo: Ja man, veel van die gasten halen de blues bij IKEA en bij ons komt het uit onszelf, haha.

Hoe is het momenteel gesteld met de muziekscene in New York?
Washy: Oh, er zijn genoeg interessante bands in Brooklyn hoor. De psych, punk en rock ‘n’ roll tiert er welig. Vooral psychedelic rock. Er zijn tientallen bands die in New York City rondhangen en de spirit van de jaren ‘60 in leven houden. En er zijn ook clubs en bars voldoende waar wij ons ding kunnen doen. Mensen willen gewoon genieten van livemuziek, plezier maken en dansen - ze hoeven tegenwoordig niet meer zo nodig te staren naar een bepaalde rockicoon.

Behalve de genoemde invloeden, heb ik ook veel namen gelezen waardoor jullie beïnvloed zouden zijn of zelfs mee vergeleken worden. Stoort jullie dat?
Premo: zoals?

The Black Keys, Led Zeppelin, Alabama Shakes, Jack White, The Red Hot Chili Peppers…
Premo: haha, de Chili Peppers had ik nog niet eerder gehoord! Maar, nee het stoort ons niet, beïnvloed zijn we allemaal en het vergelijken is juist een groot compliment, in dit geval.

In april verscheen de ‘The Parlour EP’ (Goomah Music). Die is analoog en live opgenomen in de studio. Waarom niet een compleet album?
Kia: ‘The Parlour EP’ is daadwerkelijk in de woonkamer en een salon (parlour) van een familielid opgenomen, en niet in een professionele studio.
Eric: het is een introductie van 5 nieuwe frisse songs, dat wilde we bewust zo. Een productie van ons vieren waaraan we allemaal hebben bijgedragen.
Washy: na de zomer hopen we ook een nieuw full-lenght album uit te brengen. De songs zijn al opgenomen in een moderne studio in een oude kerk in Hudson New York. Ook een videoclip is al geschoten en aan het artwork voor de cover wordt gewerkt.

Ik heb begrepen dat een aantal nummers van de demo Future Past (juli 2015) ook weer bewerkt op die plaat komen. Dat klinkt toch anders dan de EP. In een track als ‘Nancy’ hoor ik zelfs het psychedelische geluid van Jefferson Airplane. Gaat het die kant op?
Kia: Ja, dat klopt wel enigszins. ‘Nancy’ is een ballad die we niet live spelen en was op ‘Future Past’ nog een ruwe versie.
Washy: Dat zijn ‘Runnin’, ‘Dimes’ en ‘This Morning’ ook; one-take songs. We hadden vorig jaar slechts twee dagen beschikking over die studio, dan doe je zoveel mogelijk zonder overdubs. We hebben de songs ook niet fatsoenlijk kunnen arrangeren, in sommige gevallen zelfs niet eens gerepeteerd.

In recensies over jullie, lees veel over stompin ‘riffs, vibes en the feel van de muziek, maakt dat de teksten minder belangrijk?
Kia: dat hoop ik niet! Ik schrijf de meeste teksten voor Revel in Dimes en besteed er veel tijd aan, dan is het ook wel prettig als ernaar geluisterd wordt. Mijn lyrics zijn vaak persoonlijk, en om tot een verbinding te komen moet je de betekenis van die woorden wel tot je nemen.

Ondanks dat Kia de meeste lyrics schrijft, worden de lead-vocals ook waargenomen door Eric en Premo. Hoe wordt dat bepaald?
Premo: ik zing graag mijn eigen songs, en hé we hebben het hier wel over zoenen hè! [K.I.S.S.I.N.G. I wanna know you baby - red.] dát is pas persoonlijk. Zelfs een zangmicrofoon moest het vanavond zowat ontgelden tijdens mijn vrijage, zag je dat? Ha ha!
Eric: het is ook afhankelijk waar de song ‘om vraagt’ natuurlijk, het heeft geen speciale reden maar de shuffle ‘Right To The Left’ vind ik wel érg lekker om te doen hoor. Maar ook de Mississippi blues song ‘White Lightnin’.
Kia: en ik vind het ook tof om af en toe met de stemvervormer te experimenteren.

Kia, hoe is het voor jou om weken aaneen met deze drie kerels onderweg te zijn?
Kia: ha ha, wil je een écht antwoord of een interview-antwoord? Nee, het is een leerproces. De ene keer word ik omgeven door heel veel energie en de andere keer kan ik er wel ééntje de nek omdraaien. Maar ach, dan denk ik weer aan New York waar ik op dat moment weet-ik-veel-wat schoon zou moeten maken (waar overigens ook niets mis mee is). Wat wel jammer is: volgende week ben ik jarig en dan zouden ze mij in de watten moeten leggen. Maar ja, dan ben ik weer terug in New York en zijn ze ‘tuurlijk in geen velden of wegen te bekennen!

Laatste vraag: waar staat Revel in Dimes over, laten we zeggen, 5 jaar?
Washy: zolang we blijven doen wat we doen in alle bescheidenheid kunnen we muzikaal alleen maar beter worden. Verder heb ik geen speciale verwachtingen.
Eric: over 5 jaar kan ik niet zeggen, maar ik hoop dat we over 1 jaar 5 keer beter zijn!
Premo: Misschien is Revel In Dimes over 5 jaar als band wel… presidentskandidaat, whahaha! [en met z’n drieën fantaseren de mannen onderling verder wat er dán allemaal (on)mogelijk zou zijn - red.].
Kia: de jongens worden nu baldadig hoor, ha ha. “You know what: walk don’t run!”

Revel In Dimes @ Ribs & Blues Festival review.
Meer live foto’s hier.

Sass Jordan keeps the train rollin’ [interview]

Geplaatst op 28 July 2016 door Giel

Twitter facebook YouTube E-mail

Exclusief interview met: Sass Jordan
tekst & vid: Giel van der Hoeven
foto’s: José Gallois © The Blues Alone?
locatie: Ribs & Blues Festival 2016 in Raalte
datum: maandag 16 mei 2016

Je krijgt niet elke dag de kans om Sarah (Sass) Jordan (1962) aka de Voice of Truth te interviewen. Maar toen we vernamen dat de rockdiva in 2016 ook het Ribs & Blues festival in Raalte zou aandoen, grepen we die kans met beide handen aan. De in Engeland geboren zangeres verhuisde op zeer jonge leeftijd al naar Canada om van daaruit wereldwijd succesvol naam en faam te maken. Haar doorbraak, eind jaren tachtig, was ook mij als generatiegenoot zeker niet ontgaan. De knappe verschijning met een dijk van een rockstem was in die tijd een aangename afwisseling tussen al het manlijke mainstream- en hardrock geweld. Het prototype rockchick, rauw en aaibaar. Maar haar artistieke en technische prestaties werden gelukkig ook gewaardeerd door een groot publiek. Dit leverde Sass onder meer de wereldhits ‘Make You A Believer’ en ‘Highroad Easy’ op én een Canadese Juno Award in de categorie “Most Promising Female Vocalist of the Year". In de jaren die volgden bracht ze met wisselend succes acht albums uit, zong ze een duet met niemand minder dan Joe Cocker voor de soundtrack van ‘The Bodyguard’, en deelde ze met heel veel collega-muzikanten uit de internationale rockscene het podium.

Als wij ons backstage - met het oog op de klok - lichtelijk nerveus zitten te maken, en we voor de derde keer nog maar weer eens de natgeregende stoelen droog boenen, komt Sass ineens ontspannen aangewandeld. Ze arriveert een half uur later dan afgesproken maar heeft er geen bezwaar tegen dat we haar - zoals afgesproken - gewoon vóór het optreden interviewen. We hebben hier duidelijk te maken met een vrouw die vakkundig op haar routine werkt. Tijdens het voorstellen verontschuldigt ze zich voor de vertraging, met als cynisch excuus dat ze gisteravond ook nog een optreden had, hélemaal in Vlissingen. Terwijl ze met de vingers van haar linkerhand nog gauw een paar blonde lokken fatsoeneert en haar zonnebril recht zet (speciaal voor TBA?-fotograaf José), besluit ik om als openingsvraag met een ‘inkoppertje’ te beginnen.

Hallo Sass, een van de eerste singles die ik ooit kocht was ‘American Woman’ van The Guess Who. Weet je nog wat jouw eerste plaatje was?
- “Hey, that’s funny”, mijn man Derek speelt in The Guess Who! Maar dat wist je natuurlijk al, haha. [Derek Sharp is The Guess Who’s huidige leadsinger - red.]. Mijn eerste single als kind? John Lennon met Imagine, ongetwijfeld.

Woonde je toen al in Canada?
- Oh ja, toen ik 3 jaar was ben ik al met mijn ouders van Engeland naar Westmount verhuisd, een voorstad van Montreal in het zuidwesten van Québec, Canada. Ik heb ook de Canadese nationaliteit hè. Mijn moeder was Britse en mijn vader Fransman. Ik groeide op met klassieke muziek maar ontdekte al op jonge leeftijd de popmuziek van o.a. Gladys Knight, David Bowie en Tina Turner. En later ook de rockbands, zoals Cheap Trick, Aerosmith en Bad Company.

Je stond al jong op eigen benen?
- Jazeker, mijn ouders gingen uit elkaar toen ik 14 jaar was en ik koos mijn eigen weg in de muziek. Mijn eerste bandje op de middelbare school was Sweet Thunder en op mijn 17e ben ik basgitaar gaan spelen in een meidengroep, The Pinups genaamd. Wereldberoemd in Montreal, haha.

Je lacht veel. Ook op foto’s sta je bijna altijd lachend. Ben je een blij persoon?
- Nee! Ik ben juist verdomd depressief, daarom lach ik zo vaak om dat te verbergen… whahaha! Ik zou een slechte hip-hopper zijn hoor, “not angry enough”. Maar je hebt gelijk, ik ben een blije eikel. Ik wil hier ook niet weg, het is veel te leuk in Nederland! Zie je dat ding daar? [ze wijst naar een toevallig overvliegend vliegtuig - red.] Daar zit ik morgen ook weer in… “a wild white plane, back home”. Maar ik wil helemaal niet vliegen!

Toch heb je veel gereisd en in 1990 ben je zelfs naar Los Angeles verhuisd. Wie heeft jou daar eigenlijk ontdekt als soloartieste?
- Oh, maar dat is geleidelijk gegaan hoor. Nadat ik in de jaren tachtig had meegewerkt aan het debuutalbum van de new wave band The Box uit Montreal, ben ik eerst met hen gaan touren. En ook The Pinups hadden behoorlijk succes in het clubcircuit van Montreal. Vervolgens ben ik via producer Donald K. Tarlton bij Aquarius Records terecht gekomen waar o.a. ook de populaire rockband April Wine onder contract stond. Samen met toetsenist Bill Beaudoin heb ik de nummers voor mijn debuutalbum ‘Tell Somebody’ (1988) geschreven en die plaat werd gelijk platina in Canada en goud in de VS. Pas daarna ben ik naar L.A. gegaan waar ik ‘Racine’ (1992) opnam en uitbracht. Met de hit ‘Make You A Believer’ als grote doorbraak wereldwijd. Toen ging het ineens echt hard. Touren met Bryan Adams, Steve Miller, Aerosmith… je kent ze allemaal wel.

Inmiddels is het 2016 en je hebt al met heel veel grootheden opgetreden. The Rolling Stones, AC/DC, Van Halen, Joe Cocker, Alice Cooper, Jeff Healey, Santana… om er maar eens een paar te noemen. Welke artiest of band heeft persoonlijk het meeste indruk op je gemaakt?
- Ehh, dat is een rotvraag zeg… [ze denkt lang na - red.] weet je, van iedereen steek je wel iets goeds op, “but, I love playing with Cheap Trick”. Maar ja, dat zeg ik natuurlijk omdat het goeie vrienden van me zijn, lastig hoor…

Klopt het dat je in 1996 na het vertrek van zanger Sammy Hagar auditie hebt gedaan bij Van Halen?
- Ja en nee. Ik heb die zomer twee maanden in Edward Van Halen’s home studio rondgehangen omdat hij vlak bij me woonde in L.A. Maar er was geen auditie. Alex, Eddie en hun gitaartechnicus Scotty en ik hebben daar gewoon veel lol gemaakt. Althans, Eddie was nogal gestoord in die periode en er werd niet gerookt of gedronken in de studio, ze gebruikte mij eigenlijk als ‘loopjongen’ om drank en sigaretten te scoren, haha. Achteraf begreep ik van hun manager Ray Danniels [tevens zwager van Alex Van Halen - red.] die ook manager was geweest van Rush en later van Extreme, dat een vrouwelijke leadsinger toen zeker wel een optie was voor Van Halen. Maar de heren waren het daar onderling niet helemaal over eens. Gary Cherone van Extreme is toen kort daarna - zonder veel succes - de nieuwe leadsinger geworden.

Het zou een bijzondere combinatie geweest zijn, denk je ook niet?
- “Yeah, it was such a weird idea, a girl!” Maar oké, tegenwoordig vinden er ook weer vreemde dingen plaats op dat gebied. Ik bedoel, Axl Rose als vervanger van Brian Johnson bij AC/DC, wie had dat gedacht? Is ook weird.

Onlangs kwam de nieuwe documentaire ‘Janis: Little Girl Blue’ hier op de tv. Zelf speelde je in 2000 de rol van Janis Joplin in de off-broadway hit ‘Love, Janis’. Bewonder je haar?
- Ja, dat zeg je goed, ik bewonder haar. Als ‘moeder van de blues’ deed ze fantastische dingen. Geweldig om naar te kijken ook. Maar weet je, eigenlijk ben ik nooit zo’n groot fan geweest van vrouwelijke vocalisten. Bonnie Raitt uitgezonderd.

Je werd al vroeg in je solocarrière beloond met een prestigieuze Juno Award for “Most Promising Female Vocalist of the Year". Bracht dat ook extra verplichtingen of verwachtingen met zich mee?
- Oh god nee, zo heb ik dat althans niet ervaren. Behalve dan dat ik bij die stomme uitreiking aanwezig moest zijn, haha. Ach, het hoort erbij en ik was er blij mee uiteraard, maar de meeste artiesten houden nou eenmaal niet van officiële gelegenheden. “We wanna rock and keep the train rollin’!”

Hoe blijft die trein rijden vandaag de dag. Ik bedoel, die situatie on tour is toch aanzienlijk anders dan 20 jaar geleden?
- Absoluut! Kijk, als ik hier nou twee maanden aan een stuk zou touren, kon ik een Europese band samenstellen. Maar nu nemen we steeds onze eigen muzikanten mee en dat vereist efficiënt regelen, organiseren en plannen. Steeds weer vliegen met een gezelschap is niet alleen niet leuk om te doen, maar ook nog erg duur… “but it’s all good”. En touren is té leuk om het niet te doen, je maakt van alles mee en je ontmoet veel nieuwe en oude vrienden. Vandaag ontmoet ik hier gitarist Ryan McGarvey waar ik al 5 jaar mee sms’t maar die ik nog nooit heb ontmoet, hoe leuk is dat? Ik ken hem via een vriend, Carmine Rojas uit New York City, die ook bassist was bij David Bowie, Rod Stewart en Joe Bonamassa.

Je bent een groot Bowie-fan las ik?
- Dat klopt, toen ik tiener was al. En zijn eerste werk vind ik nog steeds het beste wat hij gemaakt heeft. Ik heb hem nooit ontmoet helaas maar het is echt zó onwerkelijk dat hij niet meer leeft… [stilte].

Drie jaar geleden vertelde je in een interview dat je een boek aan het schrijven was, ‘Life as a healing Journey’. Is dat al af?
- “Oh yeah, haha I say a lot of shit!” Ik verzin weleens dingen om niet steeds in herhaling te treden, vandaar. Of eigenlijk is alles wat ik zeg bullshit, haha! Misschien ga ik ooit echt een boek schrijven, of moet ik aan m’n memoires beginnen want dat doen artiesten van onze leeftijd toch? Ach, je weet maar nooit.

Over schrijven gesproken, je laatste CD ‘From Dusk ‘Til Dawn’ dateert alweer van 2008!
- Dat is alweer lang geleden hè, ik schaam me. Maar drie jaar geleden heb ik ook een album met S.U.N. (Something Unto Nothing) uitgebracht hoor. Dat was een project met drummer Tommy Stewart en bassist Michael Devin en gitarist Brian Tichy van Whitesnake. Te gekke muzikanten en een onvervalst 80’s old school rockalbum. Door geldgebrek is er helaas nooit wat van meerdere liveoptredens terecht gekomen.

Wat is het hilarische verhaal over David Coverdale?
- Whahaha… David en ik hebben een haat-liefde verhouding moet je weten. Dat is ontstaan in de jaren ‘90 toen ik met mijn band support was voor Whitesnake in Frankrijk. Vlak voor het eerste optreden kwam hun manager naar me toe en hij zei dat we absoluut niet harder dan 90 decibel mochten spelen. Dat is niet hard voor een rockband maar ja, ik was jong en naïef, en zij waren de grote rocksterren! Later hoorde ik van David Coverdale dat zij zich backstage gek gelachen hebben. Ik zag de humor er wel van in en ben goed bevriend met hem geraakt en gebleven. En ook met Rudy Sarzo en Adje Vandenberg kon ik het die tour goed vinden, “all great guys”. Whitesnake gaat deze zomer weer een European farewell tour doen zeg je? Dat wordt dan “The Old Fart Tour” zeker?! Whahaha.

Je hebt de Tom Waits song ‘Ol’55′ gecoverd. Is dat nummer speciaal voor je?
- Ik kende die song van The Eagles en hun versie van de ‘On the Border’ elpee uit 1974 sprak mij als kind erg aan. Mijn versie staat op de CD ‘From Dusk ‘Til Dawn’, waarvoor we een marketingdeal met een winkelketen hadden afgesloten. Dat album mocht daarom niet te rocky klinken maar werd uiteindelijk een allegaartje, niet m’n beste werk moet ik eerlijk zeggen. Gelukkig is er artistiek met S.U.N. veel goed gemaakt. En, ik ben van plan om binnenkort een nieuwe maar ouderwets goeie plaat op te nemen! Dat wil ik samen met mijn goede vriend en drummer Taylor Hawkins doen. Maar hij heeft het nu nog erg druk want hij is een “f@cking rockstar at the Foo Fighters!”

Hoe kijk je terug op je tweede carrière; zes jaar lang jury bij de TV-show Canadian Idol?
- Haha, tweede carrière ja… eindelijk ging ik geld verdienen! Ik heb het jureren met veel plezier gedaan hoor maar als je me nu vraagt welke kandidaat heeft echt indruk gemaakt, zeg ik: niet één. Ik loop al behoorlijk lang mee in de muziekscene en ben natuurlijk verwend om met geweldige muzikanten en artiesten te spelen. Die hebben er stuk voor stuk keihard voor moeten werken. Wat ik probeer uit te leggen is: als je nieuw, jong en getalenteerd bent, wil dat nog niet zeggen dat je gelijk ook al goed genoeg bent. Iedere artiest moet ervoor blijven knokken. Vraag dat maar eens aan de jonge Canadese gitarist Nick Johnston die nu met ons toert. Hij is fantastisch maar verbetert zich nog iedere dag, die knul wordt echt een goeie!

Sass, bedankt voor je tijd en voor het lachen.
- “Haha, God bless ya, thank you so much".

Lees een verslagje van het optreden hier: 20 Years Ribs & Blues – Ribs, Blues & Fun – Day 2
Meer foto’s van het optreden hier.

[filmpje - volgt]

De Blues drive van Giel van der Hoeven [interview]

Geplaatst op 12 November 2015 door Giel

Twitter facebook YouTube E-mail

Interview door: Lizzy

Voor de tweede achtereenvolgende keer is Giel van der Hoeven (54) een van de presentatoren op het Blues aan Zee festival in Monster. Sinds 2010 schrijft de Naaldwijkse blues-liefhebber ook concertverslagen voor The Blues Alone? en hij interviewt regelmatig artiesten voor dit online magazine. Ook is Giel een bekend gezicht in de Westlandse muziek scene waarin hij verschillende vrijwillige werkzaamheden verricht. Maar wie is hij nu eigenlijk en wat drijft hem? De interviewer geïnterviewd.


[Giel interviewt Mattanja Joy Bradley – ze speelde in 2014 op het BAZ-festival]

Hoe ben je ooit in aanraking gekomen met de bluesmuziek?
- Eigenlijk zoals dat bij de meeste muziekliefhebbers gaat, je pikt het op in je jeugd en doet er dan wel of niet iets mee. En ik heb dat dus wel gedaan, op mijn eigen manier. Mijn oudere broer en zus kochten en draaide vinyl singles en ik luisterde mee met rode oortjes. Broers van vriendjes speelde gitaar en zo kwam ik al vroeg in aanraking met live muziek. Vooral gitaarmuziek dus. En als gevolg daarvan wilde ik vanaf m’n 12e jaar álles weten over Deep Purple, Rolling Stones, Focus en Jimi Hendrix. Want alles aan die gasten was gewoon interessant en spannend. Hun ruige muziek, stoere kleding, wilde levensstijl, alles! Muziek is sindsdien als rode - nee, blauwe - draad door m’n leven gaan lopen. Tja, en dan kan je natuurlijk niet om de oorsprong van de elektrische gitaarmuziek heen, the Blues. Muddy Waters zong dan ook terecht: ‘the blues had a baby and they called it rock & roll’.

De liefde voor muziek én je nieuwsgierigheid zat er dus al vroeg in. Heb je ook altijd al over muziek geschreven?
- Nee, zeker niet uitsluitend maar wel hoofdzakelijk. Als kind prutste ik wel al een soort van weekblad in elkaar over voetbal en popmuziek voor mijn jongere broertje. Maar eigenlijk ben ik na mijn 30e jaar pas serieus gaan schrijven. Over sport, kunst, reisverslagen, columns en over muziek dus. Begin van deze eeuw ben ik ook aan proza en poëzie begonnen en dat doe ik nu nog steeds met plezier. Ook dat wordt in het Westland gestimuleerd door een stichting: Schrijvers Tussen de Kassen. Ja, de cultuur tiert momenteel welig in het Westland hoor!

Wat is er zo leuk aan schrijven?
Alles! Schrijven is één van de leukste bezigheden die ik me kan bedenken. Ze zeggen wel eens dat schrijvers vaak ook zeer belezen zijn. Maar in verhouding lees ik hélemaal zoveel niet hoor. Althans, ik ben geen boekenverslinder. Ik lees wel veel artikelen in magazines en kranten en ik doe dat de laatste jaren ook nog eens digitaal. Gelukkig is er online op muziekgebied erg veel te vinden. En schrijven houdt je bovendien scherp en kritisch op een creatieve manier. Het onderwerp moet me daarbij wel aanstaan natuurlijk, dat zal dan ook de reden zijn dat ik zoveel over muziek schrijf. Ik informeer graag gelijkgestemden en laat anderen met plezier meegenieten van hoe ik het beleefd hebt. En daar hoeft lang niet iedereen het mee eens te zijn. Dat kán ook niet altijd want iedereen beleeft het op zijn eigen manier. Dát is juist zo mooi aan live muziek. Het interviewen van artiesten is daarop weer een welkome aanvulling gebleken. De kunst daarbij is om vragen te stellen die écht uit interesse voortkomen maar ook om rekening te houden met lezeres die zo’n artiest nog niet of nauwelijks kennen. Mijn vraaggesprekken met o.a. Dana Fuchs, Ian Siegal, Mud Morganfield en de dochter van John Lee Hooker worden nog steeds veel gelezen en goed gewaardeerd. Ook dat vind ik leuk.


[Giel in gesprek met Mud Morganfield, de zoon van Muddy Waters]

En bluesmuziek geniet daarbij dus je bijzondere belangstelling?
- Zeker! Maar ik heb ook Ellen ten Damme en Di-rect geïnterviewd hoor, zomaar twee voorbeelden die juist weinig met blues te maken hebben. En ik schrijf net zo graag een concertverslag over een hardrock band of een singer-songwriter. Bij The Blues Alone? hebben we het voorrecht dat we zelf onze concerten uit kunnen kiezen. Aangezien fotograaf Arjan Vermeer en ik zo’n beetje dezelfde voorkeuren hebben én we het samen erg goed kunnen vinden, ben ik vaak met hem op stap geweest. Alleen daar valt al een boek over te schrijven, haha. Dan sta je dus de ene keer op Pinkpop bij de Rolling Stones of in de Ziggo Dome bij The Eagles. En de andere keer in de Boerderij in Zoetermeer of in de Noviteit in Monster bij een regionale of een lokale bluesband. Maar daardoor blijft het juist wél weer gevarieerd.

Je bent de laatste jaren ook actief in de Westlandse muziekscene, hoe is dat zo gekomen?
- Ach, naarmate je ouder wordt ga je je steeds meer realiseren dat het dichter bij huis ook leuk kan zijn, haha. Nee, maar er gebeuren gewoon veel leuke dingen op muziekgebied in het Westland de laatste jaren. Bandjes kunnen weer terecht in kroegen en op de diverse lokale podia. En kijk maar eens wat stichting MuziekCentrumWestland (waar ik ook bestuurslid van ben) heeft weten te bewerkstelligen in de afgelopen twee jaar. Ja, en als je dan als individu hand en spant diensten kan verrichten voor een podium als de Muziekzolder of festivals als DijkRock en de Westlandse Cross, én niet te vergeten voor Blues aan Zee, dan zeg je geen nee natuurlijk!

Wat is jou mening over Blues aan Zee en wat spreekt je er zo in aan?
- Er lopen vrijwilligers rond die al sinds jaar en dag voor die stichting klaar staan. En het publiek is altijd hondstrouw. Want je mag gerust stellen dat in de zogenaamde Westlandse muziekscene de stichting Blues aan Zee al jaren lang een stabiele factor is. Dat is één ding dat me aanspreekt. Verder weten ze altijd kwalitatief goede bands en artiesten te programmeren en dat is knap in een muziekstroming waarvan zeer weinig op de radio te beluisteren valt. En dat ik sfeerverslagen mag maken van de BAZ festivals en nu ook weer in The Juke Joint-zaal de artiesten mag aankondigen zijn voor mij eervolle bezigheden die ik graag voor m’n rekening neem.

Hoe kijk je aan tegen de toekomst van Blues aan Zee?
- Met een andere opzet van de festivals en de keuze voor meerdere locaties is het roer ook bij BAZ omgegaan. Dat is niet voor niets geweest natuurlijk. Ik heb ook gemerkt dat de bezoekersaantallen wat terug liepen de laatste jaren, ondanks dat het enthousiasme groot blijft. Daar zijn zeker aanwijsbare redenen voor. Zelf kan ik er ook niet altijd bij zijn omdat er vaak veel te doen is in de weekends. Het feit dat het goed gaat met cultureel Westland mag zich ook niet tegen de organisaties zelf gaan keren natuurlijk. Te vaak zie ik nog dat er gelijksoortige evenementen gelijktijdig plaats vinden op vooral de zaterdagen. Met wat meer onderling overleg van tevoren kan dat best vermeden worden lijkt me! Blues aan Zee is daarin wél altijd duidelijk geweest. Verder voorspel en wens ik BAZ een lang en swingend voortbestaan. En dat moet lukken want de blues is van alle tijden en voor alle leeftijden. Een avondje Blues aan Zee staat voor mij gelijk aan een goeie band, een goed gesprek en een goed glas bier in een ongedwongen sfeer. Tot op heden hebben ze me daarin in al die jaren niet teleur gesteld.

Interview werd 11-11-15 gepubliceerd in de BaZ Blueskrant als bijlage van Groot Westland.

Bezoek op 14 november het Blues aan Zee festival in Monster: 3 zalen 9 blues acts.

Little Hurricane raast onverdroten door [interview]

Geplaatst op 18 August 2015 door Giel

Twitter facebook YouTube E-mail

Exclusief interview met: Little Hurricane
tekst: Giel van der Hoeven
foto’s: José Gallois © The Blues Alone?
locatie: Ribs & Blues Festival 2015 in Raalte
datum: zondag 24 mei 2015

Niets is wat het lijkt en alles is wat het is bij het duo Little Hurricane uit San Diego. De podiumattributen die ze tijdens veel optredens gebruiken, een knus dressoir met antieke schemerlamp, vormen een schril contrast met de vintage apparatuur en het smerige bluesy geluid van zanger/gitarist Anthony “Tone” Catalano. Door hen zelf met enige trots als ‘dirty blues’ aangeduid. Hij die klinkt als een doorgewinterde bluesrocker maar eruit ziet als de ideale schoonzoon. Evenals het lieflijke snoetje van dat meisje in haar babydoll jurkje op blote voetjes t.o.v. de stoere cowboylaarzen - die elk optreden steevast voor haar drumkit opgesteld staan - en haar kleurrijk getatoeëerde linker bovenarm, waarmee deze Celeste “C.C.” Spina rake en harde klappen uit kan delen. Op de snaredrums en toms welteverstaan. De chemie is ontegenzeggelijk aanwezig tussen de twee Californische muzikanten. Zowel óp het podium tijdens hun geslaagde optreden in Raalte, als erachter tijdens het interview met ons. Toch hebben ze volgens eigen zeggen geen liefdesrelatie maar zijn ze beide tot over hun oren verliefd. Op muziek maken dus! En daar hebben ze niemand anders bij nodig. Zélfs geen tourmanager. Al was dát even niet zo gepland. Maar ondanks dat, raast deze kleine orkaan onverdroten door.

Hallo Anthony en Celeste, dit was jullie een-na-laatste optreden in deze Europese tour van vijf weken. Zijn jullie moe?
Tone: Ja. Onze tourmanager is zijn paspoort kwijt geraakt in Engeland dus we moeten de tour nu zonder hem met z’n tweetjes afmaken. “But the show must go on!”
CC: De laatste paar dagen rijden we zelf de tourbus, verkopen we de merchandise, moeten we alles op- en afbouwen, het verblijf en de interviews regelen… vandaar dat we er nu wat afgedraaid bijzitten. Maar we klagen niet.

Jullie komen net terug uit Duitsland, hoe was het daar?
Tone: Geweldig. We hebben daar gespeeld op het Orange Blossom Special Festival in Beverungen en het Grolsch Blues Festival Schoppingen. Middelgrote festivals vergelijkbaar met Ribs & Blues hier in Raalte. Het mooie van de Europese festivals vindt ik dat ze lekker knus en toegankelijk blijven. In tegenstelling tot bij ons in de VS, waar ze van jaar tot jaar proberen om steeds groter te worden.

Tone, ik hoorde je op het podium zeggen dat Nederland je enigszins aan San Diego doet denken. In welk opzicht?
Tone: Ja, vooral vanwege het warme weer vandaag.
CC: En het eten én de live muziek.
Tone: Ook, in San Diego heb je net als hier een levendige muziekscene met veel verschillende stijlen. Ondanks dat we veel buiten de regio touren proberen we er toch wel één of twee keer per jaar te spelen. Ik kom zelf uit Santa Cruz (Californië) en CC komt uit Chicago, maar San Diego voelt voor ons beide als thuis. Wellicht dat ik het daarom zei, want ik voel me hier wel thuis, ja.

Hoe kwamen jullie bij de oprichting in 2010 eigenlijk aan die naam: Little Hurricane?
CC: We hebben best lang moeten brainstormen over een goede bandnaam hoor. We zochten iets dat ons correct zou omschrijven; klein in omvang maar groots in geluid. Zo kwamen we dus op Little Hurricane.
Tone: Een kleine orkaan is best intiem, zoiets als een wervelend schoolfeest. Grote orkanen boezemt mensen angst in, dat willen we niet. En een voordeel is dat je tegenwoordig kan googelen of er al een band of duo met die naam bestaat, dat was dus niet het geval.

Wat is er zo ‘dirty’ aan de blues die jullie spelen?
Tone: Ik gebruik gitaareffecten, distortion, fuzz en overdrive en we spelen harder dan traditionele bluesmuzikanten. De toevoeging ‘dirty’ is voor ons meer een gevoel, de ‘vibe’ die we hebben bij het maken van deze muziek. Daarbij streven we dus niet altijd naar perfectie.
CC: Soms houden we ons ook niet eens aan de setlist. Vandaag hadden we per vergissing allebei een andere setlist, dat dreigde even mis te gaan maar we voelen elkaar inmiddels zo goed aan, dat het zich vanzelf wel oplost.

Jullie worden nog wel eens vergeleken met de Black Keys of de White Stripes, stoort jullie dat?
Tone: Nee. Het zijn ook duo’s, dat is duidelijk. De enige vergelijking vind ik dat we ook een minimale instrumentatie gebruiken, wat wij net als zij een grote uitdaging vinden. Maar instrumentaal én vocaal zijn we volgens mij niet vergelijkbaar.

Vooral vocaal, want je hebt een opvallend eigen stemgeluid Tone, en het zingen lijkt je bijzonder makkelijk af te gaan. Is dat ook zo?
Tone: Haha, grappig dat je dat vraagt. Toen ik op school begon met muziek maken speelde ik alleen jazz-gitaar. Een meisje uit mijn klas had me om onduidelijke redenen ingeschreven voor het schoolkoor. Ik wilde dat helemaal niet maar was te bescheiden om er niet heen te gaan. Zo heb ik wel leren zingen, of in ieder geval mijn stem leren beheersen op een natuurlijke manier.

Celeste, je slaat er stevig op los op je drumkit. Ben je een wolf in schaapkleding?
CC: Whaha… nee! En onze song ‘Sheep In Wolves Clothes’ gaat ook niet over mij. Maar drummen is inderdaad wel een goede manier om wat agressie kwijt te raken. De song ‘Homewrecker’ gaat over een ruzie die ik ooit met wat meiden heb gehad. Het lucht echt wel op hoor als je met zo’n herinnering in gedachte kan drummen. Ik ben zeker niet agressief maar wel een dynamische feministe, haha. Ik doe ook niet aan krachttraining of zo, “just playing rockshows and movin’ my drums”. Verder speel ik altijd op blote voeten want dat vind ik gewoon het fijnst. En ik gebruik nylon tips op mijn sticks in plaats van houten, omdat ik heb leren drummen in een jazzband, daar was dat gebruikelijk.

Heb je voorbeelden?
CC: Drummers bedoel je? Ach, het is verleidelijk om Karen Carpenter te noemen omdat ze gewoon een goede drummer én zangeres was. Maar mijn eerste en grootste inspiratie was Ron Bushy, drummer van de Amerikaanse psychedelische rockband Iron Butterfly. Ik ben zelf gaan drummen toen ik 10 jaar was. Mijn vader gaf me toen het album ‘In-A-Gadda-Da-Vida’ (1968) van die band en hij zei tegen me: “ga jij deze drumsolo nou maar eens leren spelen”. En ik begon eraan.

Wie van jullie twee schrijft de teksten?
Tone: Ik schrijf ze maar CC draagt vaak de concepten aan. Mijn eigen teksten zijn nogal abstract al zit er in een song als ‘Lies’ over een ex-vriendin wel behoorlijk wat emotie, woede. Maar de bijdragen van CC zijn veel persoonlijker. Bijvoorbeeld ‘Sweet Pea’, wat een koosnaampje van haar opa was voor haar oma. Die song is door haar tekstbijdrage heel erg integer geworden. ‘Give Em Hell’ is ook zo’n voorbeeld…

Dat is de song met het mandoline-intro en tegendraadse zang toch?
CC: Ja dat klopt, het begint heel lieflijk van mijn kant met driftige zang van Tone. Die volzin ‘Give Em Hell’ heb ik eens gebruikt richting mijn jongere broer die drugsverslaafde is. Ik zei: “als je ervan af wilt komen moet je ervoor vechten, Give Em Hell!” Die back-and-forth-vocals methode gebruiken we trouwens ook in de song: ‘Crocodile Tears’.

Naar mijn bescheiden mening is ‘Grand Canyon’ de perfecte Little Hurricane song. Speel je daar soms ook zelf mondharmonica op Tone?
Tone: Dankje. Nee, Shannon Koehler speelt de bluesharp op de studiotrack van het Gold Fever album, hij is daar veel beter in dan ik. Hij zit in een rock and roll band uit San Francisco, The Stone Foxes. Ik had aanvankelijk eerst die riff en vond dat ik daar een Americana-song met Evel Knievel-achtige lyrics bij moest gaan schrijven. Dat is wel aardig gelukt, dacht ik.

Doordat je live ook keyboards en effecten gebruikt ontstaat er op sommige nummers een blazersgeluid. Is het denkbaar dat jullie in de toekomst met échte blazers gaan werken?
Tone: Alles heeft met budget te maken. We hebben voor een speciale gelegenheid wel eens met blazers opgetreden hoor, voor de vibe is dat inderdaad beter. Maar voorlopig is het voor ons beide efficiënter om samen op te blijven treden. Zo’n vraag is me ook weleens gesteld over het toevoegen van een bassist. Met effecten weet ik dat live nog goed in te vullen en in de studio speel ik zelf de baspartijen in. Zolang dat werkt voelen we geen behoefte om dat te veranderen.
CC: En aangezien dit mijn eerste echte band is mis ik ook geen 3e en 4e bandlid, haha.

In 2013 namen jullie het album ‘Stay Classy’ (A Collection of Cover Songs) op. Waarom?
Tone: Tijdens optredens deden we altijd al 1 of 2 covers, en per optreden steeds verschillende keuzes. Percy Sledge, Pink Floyd, CCR, Bruce Springsteen, ZZ Top, Aerosmith, etc. Op een gegeven moment kregen we het verzoek om die songs ook op de plaat te zetten. We dachten waarom niet? We hebben in onze oefenruimte een selectie ervan opgenomen en uitgebracht, fans vonden dat leuk. Zoals je dat vandaag ook weer kon merken aan de reacties op ‘Ain’t No Sunshine’ van Bill Withers.

Celeste, je zei eens dat je jonge (meisjes) drummers wilt inspireren. Vindt je jezelf een roll-model?
CC: Niet per se voor jonge drummers. Ik vind wel dat je je hart moet volgen en jezelf niet vast moet pinnen aan een gevolgde studie. Ik ben na mijn culinaire opleiding een hele andere richting opgegaan en ben artiest geworden. Omdat IK dat wilde. Want muziek maken is mijn passie! In San Diego ging ik toen op zoek naar bandleden met dezelfde passie. Na veel engerds te hebben afgewezen kwam ik Tony tegen. Ik was er na één keer repeteren al gauw van overtuigd dat hij me niet zou afmaken. Het klikte samen, dus bleven we een duo. De tijd zal leren of dat een goede keuze is geweest maar ondertussen zijn we alweer vier jaar beroepsmuzikant en - wat belangrijker is - ik voel me er goed bij. Dat is zéker wel iets wat ik wil uitdragen naar een volgende generatie, ja.
Tone: Ik heb na wat pop-punk bandjes ongeveer tien jaar als opnametechnicus en producer gewerkt in Californië voordat ik voldoende vertrouwen had om zelf een band te beginnen. CC zorgde voor een frisse wind en maakte me weer enthousiast.

Tone, je maakt je eigen glazen bottleneck slides van whiskey- en wijnflessenhalzen?
Tone: Noodgedwongen ja, omdat ze steeds kapot gingen bij mij. Toen ben ik ze maar zelf gaan maken om slide-guitar te kunnen spelen. Ik gebruik overigens een omgebouwde Fender ‘Frankenstein’ Tornado als liggende slide-guitar. En m’n andere gitaar is een Silvertone met vintage versterkers.

Is de recente single ‘Heart Skips a Beat’ een voorproefje van weer een nieuw album?
CC: We hebben alweer voldoende nummers opgenomen voor een volgende plaat. Maar die zal niet eerder dan in 2016 uitkomen omdat we heel 2015 nog aan het touren zijn. Hopelijk kunnen we daarna weer een promo-tourtje doen, “and really amp it up".

Discografie:
Homewrecker (2011)
Stay Classy (A Collection of Cover Songs) (2013)
Gold Fever (2014)