Archief voor de categorie 'Interviews'

Cedric Burnside, de 2e telg uit de Burnside dynastie [interview]

Geplaatst op 19 October 2019 door Giel

Twitter facebook YouTube E-mail

Exclusief interview met: Cedric Burnside
tekst: Giel van der Hoeven
foto’s: José Galloise © The Blues Alone?
locatie: Ribs & Blues Festival 2019 in Raalte
datum: zondag 9 juni 2019

Cedric O. Burnside (1978) uit Holly Springs, Mississippi was na Kent Burnside de tweede telg uit de Burnside dynastie die Europa aandeed. De jonge Cedric werd, nadat vader Calvin Jackson (1961-2015) het gezin verliet, grootgebracht door zijn grootvader R.L. (Robert Lee) Burnside, de grote blueslegende/singer-songwriter. Met zijn “Big Daddy” R.L. Burnside mocht hij als beginnend drummer in de jaren ‘90 mee op tournee om de klappen van de zweep (drumsticks) te leren kennen. Ondanks dat Cedric een zeer goede drummer werd kreeg hij toch meer interesse voor een ‘nieuwe liefde’, de elektrische gitaar. En ging hij een samenwerking aan met drummer/gitarist Brian Jay. Met het fantastische album Benton Country Relic (2018) als resultaat. Even voor zijn duo-optreden met Jay op de Delta Stage in Raalte spreekt TBA? Cedric over die samenwerking, zijn verleden en toekomstplannen. Maar voornamelijk laat de aimabel muzikant zich uit over hoe hij momenteel in het leven staat: ‘I live a life of love.’

- Je vader, drummer Calvin Jackson (1961), wordt beschouwd als een vernieuwer van de Hill Country bluesstijl. Wat is het belangrijkste dat jij van hem hebt geleerd?
Cedric: Nou, dit antwoord zal je wellicht teleurstellen maar mijn vader was zeker geen rolmodel voor mij. Hij was zelden thuis en heeft niet veel tijd aan de opvoeding van zijn kinderen besteed. Een typisch voorbeeld dus van hoe het niét moet! Ik hoop mijn kinderen nu op betere wijze op te voeden.

- Toch werd jij min of meer zijn opvolger toen hij in 1990 naar Nederland verhuisde om zijn muzikale carrière voort te zetten. Hoe heb je leren drummen?
Cedric: Dat klopt ja. Ik mocht als 13-jarige puber toen gaan drummen in de band van mijn opa Robert Lee Burnside alias R.L. Burnside. Hij was mijn ‘Big Daddy’ die mij eigenlijk alles heeft geleerd en bijgebracht in mijn jeugdjaren. Op jonge leeftijd keek ik al geobsedeerd naar drummers als Kenny Kimbrough in zijn band. Ook naar m’n vader ja, dus in dat opzicht heb ik wel iets van hem meegekregen. Maar ‘Big Daddy’ was mijn opvoeder en voorbeeld in Holly Springs, North-Mississippi. Een echte leermeester als drummer had ik niet, ik ben autodidact.

- Je hebt dus vast veel old school muziek gehoord in het bijzijn van je grootvader. Zijn dit ook jouw inspirators?
Cedric: Oh yeah! Het was een feest om hem te zien repeteren en muziek te horen van Howlin’ Wolf, Mississippi Fred McDowell, Muddy Waters, ‘all those cats!’ Het album ‘Boogie Chillen’ van John Lee Hooker maakte in zijn jeugd, einde jaren veertig, grote indruk op mijn grootvader. Fred McDowell woonde bij hem in de buurt en leerde hem gitaar spelen. En ook zijn aangetrouwde neef McKinley Morganfield (Muddy Waters) was een van zijn inspirators. Dat maakte natuurlijk ook grote indruk op mij, waardoor hun muziek voor altijd in mijn hart en ziel zit opgesloten.

- R.L. Burnside overleed op 78-jarige leeftijd in 2005. Waar heb jij kracht uitgeput om door te gaan als drummer?
Cedric: Ik ben een gelovig man. Jezus Christus geeft me de kracht om door te gaan. Ik zal niet zeggen dat ik zwaar religieus ben maar ik geloof in Jezus en ik hou van de mensen. Mijn broer Cody en mijn vader Calvin overleden beide veel te jong in 2015 en twee jaar later verloor ik m’n moeder Linda. ‘But i’m hangin’ in there,’ ik heb genoeg redenen om de blues te spelen. Maar ik blijf geloven en houden van mensen zonder te hoeven weten waar zij in geloven.

- Met wie heb je live of op platen zoal gewerkt de afgelopen 10 á 15 jaar?
Cedric: Ah, te veel om op te noemen man! Eens kijken: vanaf 2006 had ik verschillende partnerschappen met o.a. mijn oom Garry Burnside en Lightnin’ Malcolm in Burnside Exploration. En later met het Cedric Burnside Project met mijn jongere broer Cody en oom Garry. En met Bernard Allison heb ik in 2012 het album Allison Burnside Express opgenomen. Daarnaast speelde ik drums bij o.a. Jessie Mae Hemphill, John Hermann, Kenny Brown, Richard Johnston, Jimmy Buffett, T-Model Ford, Paul “Wine” Jones, Widespread Panic, Afrissippi en de Jon Spencer Blues Explosion. Vergeef me als ik iemand vergeet, haha.

- Waarom heb je besloten om solo te gaan en het album ‘Benton County Relic’ uit te brengen in 2018?
Cedric: Dat is iets wat ik altijd al voor ogen heb gehad. Weet je, ik schreef op mijn 12e jaar al mijn eerste songtekst. Ben dat naast het drummen blijven doen en zat soms een beetje op een akoestische gitaar te pielen. Daarmee ontwikkel je toch een eigen stijl die je op een gegeven moment met anderen wilt delen. Dat moment was daar toen ik Brian Jay van Pimps of Joytime ontmoette.

- Hoe is die samenwerking met Brian Jay ontstaan?
Cedric: Ik kende Brian al een jaar of vijf. Hij kwam soms kijken bij mijn optredens en was ook R.L. Burnside-fan. Hij nodigde mij uit voor de YouTube sessies “Jammin’ With J.” in Brooklyn New York, waar we samen 26 tracks opnamen. Beide afwisselend op drums en gitaar. Dat liep zo lekker dat we besloten om samen een album op te gaan nemen en om vervolgens te gaan touren. Te titel van die plaat ‘Benton County Relic’ verwijst naar de streek Benton County waar naar ik in mijn jeugd verhuisde.

- Was het een grote verandering voor je om over te schakelen naar gitaar en op te treden als frontman?
Cedric: ‘Haha, is it hard to stay cool?’ Kijk, als je vier keer ‘Drummer of the Year’ bent bij de Blues Music Awards kan je wel trommelen. Dus dát zal ik nooit opgeven. Maar inderdaad, een elektrische gitaar in je handen hebben is een heel ander gevoel dan drumsticks. Niet alleen qua ritme maar je gebruikt ook een hele andere timing. Toch ben ik blij dat ik die stap gezet heb want ik ervaar het als een ‘new found love.’

- Waarom treden Brian en jij samen op als drummer, gitarist en vocalist, maar zónder bassist?
Cedric: Oh, dat is denk ik iets wat voortkomt uit mijn Hill Country muziekcultuur. Vroeger sprak ik weleens af met een bassist maar die kwam nooit opdagen, whahaha! Dus laten we het maar zo houden en niet erger maken dan het al is, haha.

- Je ‘nieuwe liefde’ die elektrische gitaar klinkt bij jouw doordringend en rauw. Doe je iets speciaals met het instrument of met de versterker?
Cedric: Nee, niet echt. Ik speel gitaar zonder plectrum, dat zal ermee te maken hebben. En wellicht ook welke songs ik speel. Mijn eerste nummers voor gitaar schreef ik als drummer, ik denk dat je dat ik de ritmes en melodieën van die songs terug hoort. Weet je, het is nieuw voor mij dus ik probeer veel uit. Ik moet ook bekennen dat ik thuis nog zeven ‘nieuwe liefdes’ heb staan, haha. Maar ik neem er nooit meer dan twee of drie mee op tournee. Afhankelijk van wat ik ga spelen in open C-akkoord of G-akkoord of standaard, gebruik ik die dan.

- Sommige van je teksten gaan over de povere omstandigheden waarin je gezin leefde. Was dat moeilijk voor een opgroeiend kind zoals jij?
Cedric: Eerlijk gezegd merkte ik dat de eerste levensjaren niet eens. Ik ben geboren in die situatie en wist niet beter dat sanitair uit stalen emmers en kuipen bestond. Stromend water, radio en televisie waren luxe die ik de eerste twaalf jaar niet gemist heb. Want ‘Big Daddy’ en ‘Big Momma C’ brachten ons normen en waarden bij en gaven ons voldoende eten, drinken en vertier. Mensen kwamen van mijlen ver om bij ons muziek te maken en te dansen. Naarmate ik ouder werd begreep ik wel dat het geen normale situatie was. Daar kon ik wel eens verdrietig van of boos om worden, ja. Maar geleden onder de armoede heb ik niet. Desalniettemin belangrijk genoeg om de huidig generatie te laten weten dat het ook anders kon en nog steeds kan gaan.

- Zijn er nog steeds situaties die je boos of verdrietig maken? En haal je daar ook inspiratie uit?
Cedric: Ik heb weinig met politiek en iedereen maakt fouten. Maar discussies over het rassenconflict in de wereld en met name in de VS onder deze president, maken me wel boos en verdrietig, ja. Maar het inspireert me niet, nee. ‘I live a life of love, cause - love is my religion.’

- Op het moment dat je R.L. Burnside covers op het podium speelt [zoals ‘Skinny Woman’] of een eerbetoon aan hem brengt, zie ik je altijd lachen. Wat voel je op die momenten?
Cedric: ‘It’s joy!’ We hebben veel meegemaakt hè! ‘Big Daddy’ was de ruggengraat van onze familie, een goed mens. Niet alleen voor zijn familie maar ook voor vreemden. Steeds maar weer, ook tijdens netelige situaties waarin hij vaak verkeerde. Ik wist dat toen niet en realiseerde mij het later pas. Ik denk aan de vele houseparty’s die hij gaf. En dat hij me de kans gaf om beroepsmuzikant te worden. Tijdens zo’n eerbetoon betuig ik dankbaarheid aan hem; levenslang respect! Daar word ik blij van en daarom lach ik.

- Je hebt drie dochters van 20, 16 en 14. Welk advies geef je hen mee voor de toekomst?
Cedric: Het zijn drie verschillende meiden met een eigen wil en karakter. Dus ik ga ze niets opleggen of ze ergens toe dwingen. Maar ze zingen alle drie behoorlijk goed en ze leren gitaar spelen. Ik stimuleer dat van harte en zie ze in de toekomst ook graag professioneel muzikanten worden. Dan mag jij ze interviewen en ben ik hun manager! Kunnen ze eindelijk die rekeningen eens terugbetalen die ik nu voor ze betaal, whahaha! Maar zonder gekheid, we werken nu al veel samen en als ze zich blijven focussen kunnen ze een eind komen en de muzikale familietraditie in ere houden. Maar ze zijn nog jong en hebben zoveel andere bezigheden zoals sporten en uitgaan, dus we wachten het rustig af.

- In de live-versie van ‘Don’t You Let My Baby Ride’ zit een drumsolo. Met welke drummer had jij of zou je graag een drum battle willen doen?
Cedric: Wauw, die vraag is me nog nooit gesteld. Ik heb heel veel bewondering voor een Amerikaanse bluesdrummer die je waarschijnlijk niet kent. Zijn naam is Sam Carr [geboren Samuel Lee McCollum, 1926-2009 - red.] en is het best bekend als lid van de Jelly Roll Kings. Hij speelde ook mee op de Ry Cooder soundtrack ‘Crossroads’ uit 1986. Hij gaf mij m’n allereerste drumsleutel en ik wist niet waar die voor diende. Hij legde me geduldig uit dat je daarmee de drumvelspanning aan kon passen aan de toonhoogte. Hij was ook autodidact en had een minimalistische driedelige drumkit, bestaande uit een snaredrum, een bassdrum en een high-hat cimbaal. Ik zag hem vaak drummen maar heb nooit de kans gehad om mét hem te spelen. Ja, met hem had ik graag een ouderwetse Hill Country Delta Blues battle willen uitvechten.

- Heb je al plannen voor de toekomst, en zal dat weer met Brian Jay zijn?
Cedric: Dat weet ik eerlijk gezegd nog niet. Ik speel met de gedachten om een akoestisch album op te nemen en uit te brengen omdat ik dat nog niet eerder heb gedaan. Ik merk onderweg ook dat daar best veel vraag naar is en misschien wordt het wel een live album. Maar ja, met mijn ‘nieuwe liefde’ de elektrische gitaar wil ik ook verder… dus, ik ben nog zoekende. Of liever gezegd: ik ben altijd op zoek naar nieuwe dingen. Laat je verrassen.

Cedric Burnside is van 31-10 t/m 05-11-2019 weer voor diverse optredens in Nederland te zien.
Meer live foto’s van het optreden in Raalte zijn hier te zien.

De muzikale ‘boevenbende’ Blackberry Smoke [exclusief interview]

Geplaatst op 8 August 2019 door Giel

Twitter facebook YouTube E-mail

Exclusief interview met: Blackberry Smoke
tekst: Giel van der Hoeven
foto’s: José Galloise © The Blues Alone?
locatie: Ribs & Blues Festival 2019 in Raalte
datum: zaterdag 8 juni 2019

Niet dat de Europese Find A Light Tour 2019 van de Amerikaanse rockband Blackberry Smoke heel uitgebreid is, maar drummer Brit Turner weet vandaag al niet meer waar hij gisteren ook alweer was. “Was het nou in Zweden of Denemarken?” vraagt hij zich hardop af als we hem en zanger-gitarist Charles ‘Charlie Starr’ Gray ruim anderhalf uur voor het Blackberry Smoke optreden in Raalte spreken. Het touren overzee gaat ook deze doorgewinterde muzikanten blijkbaar niet in de koude kleren zitten. Op frontman Starr moeten we even wachten omdat hij nog een gastoptreden bij de band Gov’t Mule heeft. Tamelijk onbewogen schuift hij even later aan, alsof hij net terug is van een klusje tussendoor. Maar navraag maakt duidelijk dat ook een podium jamsessie met buddy Warren Haynes hem niet onberoerd heeft gelaten. Ook al is hij er zelf aanvankelijk vrij ingetogen over: “oh, it’s always great jamming with Warren, so much experience”. De rook moet blijkbaar nog even optrekken. Boude uitspraken volgen later in het interview vanzelf.

- Vandaag spelen jullie voor enkele duizenden bezoekers op het Ribs & Blues festival in Raalte en overmorgen voor een paar honderd man in Podium Victorie, Alkmaar. Is er een verschil in aanpak voor jullie?
Charlie: Nee niet echt, wij spelen overal waar mensen komen met dezelfde aanpak en instelling. De gigs op festivals zijn meestal korter dan een eigen show en de setlists proberen we per show zoveel mogelijk af te wisselen. Ongeacht festival of intieme zaal.
Brit: En Charlie verrast ons voor ieder optreden standaard om vijf uur met de setlist voor die avond.

- Wat onderscheidt Blackberry Smoke van andere Southern Rockbands?
Charlie: Wij zijn andere artiesten die andere songs schrijven en spelen. Maar wel vijf gelijkgestemde kerels op een enerverende ontdekkingstocht. Onze songs zijn onze vingerafdrukken, ze identificeren Blackberry Smoke, een rock and roll-band uit Georgia. En niet Lynyrd Skynyrd, Allman Brothers, Gov’t Mule, of wie dan ook.
Brit: Charlie, Paul (Jackson, gitaar - red.) en ik kennen elkaar al meer dan 20 jaar. En mijn broer Richard (Turner, bas - red.) ken ik al mijn héle leven. Ook keyboardspeler Brandon Still trekt alweer sinds 2007 met ons op. We zijn een hechte groep geworden man; een boevenbende!
Charlie: “Yeah, Brit is an O.G. man” (original gangster - red.)

- Hoe is die muzikale ‘boevenbende’ eigenlijk ontstaan?
Brit: In bars en nachtclubs in Atlanta, Georgia. Na optredens en repetities hingen we daar vaak rond. We zaten toen allemaal in verschillende bands en raakte bevriend. Charlie, mijn broer Richard en ik begeleide een singer/songwriter en we speelden alle drie graag samen. Nadat we hem uit zijn eigen band ontslagen hadden, nam Charlie het over als songwriter/vocalist.
Charlie: Ik haalde vervolgens mijn oude vriend Paul Jackson erbij als gitarist en kort daarop ontstond Blackberry Smoke. Nee, we gaan niet zeggen wie die singer/songwriter was. Is nooit een grote geworden trouwens.

- Ik las dat de zanger van The Black Crows, Chris Robinson, die bandnaam bedacht heeft?
Charlie: Chris en Rich Robinson zijn goede vrienden van ons. We deelden ergens in 2000 in Atlanta een repetitieruimte met The Black Crows. Er gingen daar wat namen rond omdat wij nog geen officiële bandnaam hadden. We zochten een originele en stoere naam die bij een Southern Rockband paste. Chris zat ons te dollen met grappige onwerkelijke namen van biermerken, rookwaren en andere titels van genotsmiddelen. Daartussen zat ook “The Blackberry Smoke”. Dat stond ons wel aan, maar we hebben “The” eraf gelaten.

- In 2013 brachten jullie samen met Lynyrd Skynyrd het vinyl-album ‘Live in Sweden / Blackberry Smoke Live in North Carolina’ uit. En jullie spelen ook regelmatig samen. Hoe is die relatie onderling?
Charlie: We zijn bevriend geraakt, dus prima. Kijk, wanneer wij als support voor Skynyrd spelen moeten we ze niet voor de voeten lopen. Maar als we dingen samendoen klikt het. Zowel op het podium als daarbuiten. Maar dat geldt ook voor “brother” Warren Haynes. Daarom vroeg hij mij ook om mee te jammen met “the almighty Gov’t Mule” zojuist. En straks, als wij optreden, komt Warren ons ook nog even joinen bij in elk geval ‘Big Boss Man’. Dat is behalve plezier maken ook inspirerend en leerzaam. En jij Brit, heb jij nog iets van ze geleerd, danspasjes of zo? Haha!
Brit: Je steekt altijd wel iets van elkaar op. Ik zal niet zeggen dat andere Southern Rockbands rolmodellen voor ons waren. Maar hun bandgeluid en stijl was wel de perfecte sjabloon voor onze band. Weet je, in mijn jeugd kende ik geen slechte muziek. Ik groeide op met The Beatles, Led Zeppelin, Aerosmith, Tom Petty & the Heartbreakers… “just fuckin’ good songs!”

- Wat deed jullie besluiten om in de VS een eigen platenlabel ‘3 Legged Records’ te runnen? (Welk levend wezen heeft 3 poten?)
Brit: Een aangeschoten hond? Haha!
Charlie: In ons logo is het een haan met drie poten, maar ach, je moet wat verzinnen. We wilde in elk geval geen dier met 2 of 4 poten, haha. Weet je, wij zijn geen popband waarvoor een commercieel plan wordt uitgedacht. Het idee achter ‘3 Legged Records’ was vooral om veel meer artistieke vrijheid te genereren en om financieel iets meer te behouden wat we zelf verdienen.

- Over artistiek gesproken, alle covers van Blackberry Smoke albums en dvd’s zijn indrukwekkend. De afbeeldingen en typografie geven fans meteen een Southern Rock gevoel. Hebben jullie hier zelf ook invloed op?
Charlie: Absoluut. Brit heeft van diversen covers de art direction gedaan. Ik vind het zelf ook prettig om naar mooie elpee-hoezen van andere bands te kijken. Daarbij is een cover als een boekomslag, dat moet een professionele en verzorgde uitstraling hebben, vind ik.

- Jullie noemden al een aantal bands die BS beïnvloed zouden hebben. Maar hebben jullie als muziekliefhebbers persoonlijk ook nog favoriete albums?
Charlie [zonder enige twijfel]: ‘Exile On Main Street’ van The Rolling Stones, ‘Rocks’ van Aerosmith en The Flying Burrito Brothers: ‘The Gilded Palace Of Sin’. En ik zal je ook zeggen wat Brit zijn drie favoriete platen zijn: ‘Captain Fantastic and the Brown Dirt Cowboy’ van Elton John, ‘Highway To Hell’ van AC/DC en ‘Yesterday And Today’ van The Beatles.
Brit: Ik heb The Beatles helaas nooit live gezien. Wel Elton John, AC/DC, Iron Maiden, Cheap Trick…
Charlie: … ik zag de Stones en Aerosmith jaren geleden live. Maar dat kan vandaag de dag nog steeds hè. Oh, en ‘Locked Down’ van de eergisteren overleden Dr. John is ook een bijzondere maar fantastische plaat! Met grillige gitaren, staccato-beats en een grimmige productie door Dan Auerbach van The Black Keys. Een zeer gewaardeerd artiest, Dr. John, “he was an American original".
Brit: Toen die plaat destijds uitkwam hebben we Gov’t Mule live zien optreden mét Dr. John in Chastain Park, Atlanta…
Charlie: … ja, da’s waar man! Met ‘John the Revelator’ en ‘The Weight’ van The Band, dacht ik.
Brit: Onze tourmanager heeft ook met Leon Russell getourd. Aan het einde van die tour ontmoette de hoogbejaarden ‘Master of Space and Time’ Leon Russell en ‘New Orleans Legend’ Dr. John elkaar. Dat was volgens hem het meest merkwaardige gesprek tussen de twee markantste stemmen dat hij ooit gehoord had: “Hèh, hûh?! What’s that?!” Whahaha!

- Is ‘Find A Light’, jullie recente en zesde studioalbum, het beste BS-album tot nu toe?
Charlie: Dat is altijd zo toch? Wat ik eerder over onze optredens zei geldt ook voor onze platen: het moet steeds weer een ontdekkingsreis zijn. Ik hou van albums met gevarieerde nummers en verschillende vibes. Met ‘Find A Light’ zijn we daar wel weer in geslaagd volgens mij. Ik ben er trots op.

- Vorig jaar namen jullie ook ‘The Southern Ground Sessions’ op in Nashville en brachten dat als akoestische EP uit (op het eigen label). Is dat iets wat je altijd al wilde doen?
Charlie: Zeker wel. Op de EP staan akoestische versies van songs die op het album ‘Find A Light’ staan plus een cover van Tom Petty, opgenomen in één dag in Zac Brown’s Southern Ground Studio’s in Nashville. Met gastoptredens van Amanda Shires (viool en zang) en Oliver Wood (gitaar en zang). We hebben vorig voorjaar ook een aantal keer live akoestisch opgetreden in de VS. Het zou mooi zijn om dat in de nabije toekomst ook eens in Europa te kunnen doen.

- Neem dan wel Amanda mee, want Tom Petty’s versie van ‘You Got Lucky’ met haar klinkt echt wonderschoon!
Charlie: Oh, dank je. Ja, ze is te gek. Maar haar man Jason Isbell zal eerst toestemming moeten geven vrees ik, want ook met hem treedt ze op. En ze is momenteel druk met de nieuwe all-female countrygroep The Highwomen die in september van dit jaar hun debuutplaat uitbrengen.
Brit: Paul zal tijdens de akoestische tour onze Amanda zijn, hij is sexy genoeg, haha.

- Charlie, je schreef samen met Keith Nelson o.a. het duet ‘Let Me Down Easy’. De vrouwelijke stem hierin is ook van Amanda. Ben je van plan om in de toekomst meer van dit soort ‘Gram Parsons-Emmylou Harris duetten’ te schrijven?
Charlie: Hmm, dat weet ik eigenlijk niet. Weet je, het pakte allemaal toevallig zo uit. Al die gastmuzikanten waren aanvankelijk niet eens de bedoeling. Alleen Robert Randolph op de steelgitaar. Maar toen kwam Amanda erbij voor het duet. En voor we het wisten hadden we een studio vol, met Benji Shanka op 12-snarige gitaar en dobro, Gaurov Mahorta op conga’s, violist Levi Lowrey, The Wood Brothers en niet te vergeten de dames Murphy van The Black Betties.

- Gregg Allman heeft een jaar vóór zijn dood bijgedragen aan het nummer ‘Free On The Wing’. Had je niet meer songs willen opnemen met deze legende?
Charlie: Ja, uiteraard. Hij was echt een geweldige kerel, een iconische Georgia-legende! ‘Free On The Wing’ is het laatste nummer van ‘Like An Arrow’ (2016), dat ik samen schreef met Brandon (Still - red.). We hadden met Blackberry Smoke in de loop der jaren een paar shows met Gregg gedaan en dit lied had de perfecte melodie om zijn stem aan toe te voegen. Ironisch genoeg tourde wij zelf door Spanje toen hij het in de studio kwam inzingen. Waarschijnlijk waren dit de laatste vocalen partijen van hem die zijn opgenomen.

- Toen je in 2012 ‘One Horse Town’ met Travis Meadows schreef, realiseerde jullie je toen dat die tekst nogal universeel is, omdat er zulke woonplaatsen over de hele wereld zijn? Ik bedoel, niet alleen de muziek, maar ook teksten kunnen een wereldwijde impact hebben.
Charlie: Nou, daar ben ik gedurende onze optredens wel achter gekomen, ja. Het is absoluut een song die tekstueel niet alleen impact heeft in de VS. Hier in Europa blijkbaar ook (jij vraagt me er nu naar). En toen we drie shows in Brazilië deden zongen fans het woordelijk mee! “Yeah, there are little bitty towns all over the world, man".

- In januari 2019 nodigde jullie ambtenaren in de VS uit om gratis een Blackberry Smoke-show bij te wonen. Waarom deden jullie dat?
Charlie: Deze mensen waren getroffen door de Federal Government Shutdown en ontvingen geen looncheque meer! Het betrof fans van ons die zich op dat moment geen ticket konden permitteren, “they needed a break”. Dus hen gratis binnenlaten om te genieten van een avondje livemuziek was het minste wat we konden doen.

- Dit is geen politiek interview, maar merken jullie een groot verschil in levensstijl in de VS onder Trump vergeleken met het Obama-tijdperk?
Brit: Politici schreeuwen nu meer dan ooit naar elkaar, volgens mij. Sinds wij baby’s waren zeiken mensen elkaar al af over politiek in de VS. Maar vanwege het internet en de sociale media is het nu veel meer “in the face".
Charlie: Drie jaar geleden maakte ik een politiek statement met het rock & roll-nummer ‘Waiting for the Thunder’ van het album ‘Like an Arrow’. En ik vroeg me af of politici niet te veel macht hebben? Ze beschikken over gemeenschapsgeld en verkwanselen het. Ze zijn uit op eigen glorie met oorlogen over religies. En wij staan erbij en we doen niets, in de hoop ’s ochtends wakker worden in het licht van een nieuwe dag. De tekst vloeide in een kwartier mijn pen uit. Dat zegt genoeg over mijn frustratie hoe gek de wereld lijkt te zijn. Meer kan ik niet doen als artiest.

- Is Blackberry Smoke van plan om als touring artists net zolang door te gaan als The Rolling Stones of Bruce Springsteen dat doen?
Charlie: “Hell yeah!”
Brit: Afgelopen jaar hebben we tussen de 150 en 170 shows gedaan, dat is een gemiddelde wat we graag nog járen volhouden.

Zo fris al jonge hoentjes geeft het vijftal een klein uur later een puike Southern Rockshow weg, die Raalte niet snel zal vergeten. Charlie Starr is een ideale frontman met een glorieus zuidelijk stemgeluid, die elke Southern Rockband zich zou wensen. Met keyboardspeler Brandon Still, de altijd lachende Paul Jackson (gitaar en zang) en de onverbrekelijke ritmesectie: de broers Brit (drums) en Richard Turner (bas en zang), vormt dit vijftal een solide band. Vette uptempo rockers, melodieuze midtempo songs en semi-akoestische ballads werden vakkundig in een BS southern rock jasje gehesen in perfect passende snit. Met zowel rock ‘n roll, blues, country als gospel invloeden.

[Blackberry Smoke feat. Warren Haynes @ R&B2019 Festival Raalte]

Waiting for the thunder
All the money and the war and religion and the which one do you serve?
Maybe them with the power and the glory got more then they deserve
Why do we stand by and do nothing while they piss it all away
And we hope we wake up in the mornin’ to the light of a brand new day

Discografie - Studioalbums
Bad Luck Ain’t No Crime (2003)
Little Piece of Dixie (2009)
The Whippoorwill (2012)
Holding All the Roses (2015)
Like an Arrow (2016)
Find a light (2018)

Live album
Leave a Scar: live in North Carolina (2014)

[BS - The Southern Ground Sessions (2018) signed bij Charlie & Brit]

EP’s
New Honky Tonk bootlegs (2003)
Little Piece of Dixie (2008)
Wood, Wire & Roses (2015)
The Southern Ground Sessions (2018)

Exclusief interview met wereldband Southern Avenue

Geplaatst op 30 July 2019 door Giel

Twitter facebook YouTube E-mail

Exclusief interview met: Southern Avenue
tekst: Giel van der Hoeven
foto’s: José Galloise © The Blues Alone?
locatie: Ribs & Blues Festival 2019 in Raalte
datum: maandag 10 juni 2019

Southern Avenue is een vijfkoppige blues- r&b- en soulband uit Memphis, Tennessee. De bandnaam ontleende ze bij de oprichting in 2015 aan een straat aldaar, die liep van het meest oostelijke deel van de stadsgrenzen naar “Soulsville", het oorspronkelijke Stax Records gebouw. Southern Avenue bereikte de finale van de International Blues Challenge in 2016. Hun titelloze debuutalbum uit 2017 weerspiegelt de diverse wortels van bandleden die afkomstig zijn uit de VS en uit Israël. Op hun tweede album ‘Keep On’, dat in mei 2019 via Concord Records verscheen, wordt de organische soul-, blues- en r&b-fusie moeiteloos geconsolideerd. Songs die kwalitatief goed genoeg zijn om drie jaar aan een stuk de wereld mee over te touren. Aan het woord hierover de in Israël geboren gitarist, componist en muziekproducent Ori Naftaly (1987). En de zussen Tierinii en Tikyra Jackson uit Memphis.

- Jullie zijn 4 mei jl. met de KEEP ON Summer Tour begonnen in jullie woonplaats Memphis en die loopt door tot december 2019. Is het de eerste keer dat jullie zo’n lange tour door de VS en Europa doen?
Ori: Nee, wij touren eigenlijk voortdurend. Omdat wij er allemaal geen baan bij hebben zijn we voor onze inkomsten afhankelijk van de optredens. Zelfs als ik tussendoor een paar dagen thuis ben, dan ben ik naast mijn privéleven nóg met de band bezig. Mails beantwoorden, administratieve zaken, nasleep en voorbereidingen treffen. Je kent het wel.

- Dit najaar doet Southern Avenue de openingsshows voor de Tedeschi Trucks Band in Houston, Dallas, Tulsa en San Antonio! Wat betekent dat voor jou persoonlijk?
Ori: Veel! Op mij persoonlijk maakt het meer indruk dan het opnemen van onze eigen albums. “It’s a dream come true.” Ik ben al fan van Derek Trucks sinds mijn jeugd en zoveel ouder dan mij is hij niet eens. Als zo’n idool je dan zélf vraagt om de support te doen is dat gewoon te gek! Ik denk ook dat ze Southern Avenue gekozen hebben omdat onze muziekstijlen goed bij elkaar passen.

- Hoe zou jij zelf jullie muziekstijl omschrijven dan?
Ori: Mijn passie voor Amerikaanse soul, blues en funk zal bekend zijn. En ik ben er in elk geval trots op dat wij niet als iemand anders klinken. Ik ben over de hele wereld geweest, van Europa tot Australië en van Canada tot Noord- en Zuid-Amerika. Die ervaringen, en alle hoogtepunten en dieptepunten, worden allemaal weerspiegeld in onze muziek. Ik vind het geweldig dat ik avond aan avond met deze fantastische mensen onze wereldmuziek kan spelen.

- Voor Southern Avenue zaten jullie allemaal in verschillende bands of deed je theater projecten. Is de ambitie om professioneel artiest te worden er altijd al geweest?
Ori: Zo tussen mijn 16e en 18e jaar ben ik daar wel serieus over gaan nadenken, inderdaad. Op die leeftijd realiseerde ik mij ook wel dat ik geboren was met een speciaal talent. Dan sta je op een drempel: wat ga ik ermee doen en kan ik leven van mijn muziek? Maar bij een muzikant zal altijd het gevoel overheersen boven een rationeel beslisproces. Dat geldt voor ons allemaal. Talent kan je niet negeren.

- Je woont pas sinds 2013 in Memphis, Tennessee. Hoe was dat aanvankelijk voor een vreemdeling in een vreemd land?
Ori: O, dat is geleidelijk gegaan en ontstaan door iets dat op mijn pad kwam. Ik tourde eind 2012 met mijn eigen Ori Naftaly Band hier in Nederland. Ik verbleef bij een bevriende drummer in Dordrecht toen ik een berichtje op m’n mobieltje kreeg. Of ik met m’n band in mijn thuisland mee wilde doen aan een blues contest? En ik dacht: waarom niet, ik zegde toe en voegde de daad bij het woord. We werden verkozen tot ‘Best Israeli Blues Band of 2013′ en mochten Israël vertegenwoordigen op het prestigieuze International Blues Challenge in Memphis waar we de halve finale behaalde. Dat leverde ons veel optredens en een goede Cd-verkoop op (het album ‘Happy For Good’ werd in mei 2013 uitgebracht - red.). Na een tour door de VS heb ik mij in oktober 2013 in Memphis gevestigd. Samen met de zussen Tierinii (zang) en Tikyra (drums/zang) Jackson heb ik in 2015 deze band, Southern Avenue, opgericht. Hiermee behaalde we vervolgens als vertegenwoordigers voor Memphis op de International Blues Challenge in 2016 de finale, met een Stax recorddeal als gevolg.

- Dat klinkt als een droomcarrière. Spreek je je Nederlandse en Israëlische vrienden nog wel eens?
Ori: Oh ja, daar heb ik nog wel contact mee hoor. Ik versta zelfs een paar woorden Nederlands, zoals: ‘lekker’ en ‘dankjewel’, alleen de nette woorden, haha. En ook veel Israëlische muzikanten steunen mij, en ik hen. Weet je, ik ben altijd een buitenbeetje geweest, “a weird animal”. Zowel in mijn geboorteland als in het buitenland. Want, een Israëli die elektrische blues en soul speelt… dat kon toch helemaal niet! Nou je ziet het, het kan wél! Hahaha. Ken je Guy King? Dat is een Israëlische blues- en jazzgitarist van een jaar of veertig. Hij deed in 1999 hetzelfde als wat ik deed; vertrok naar Memphis en later naar New Orleans en Chicago om in de VS zijn geluk te zoeken. Hij wordt vaak vergeleken met Wes Montgomery en is internationaal een zeer gewaardeerd muzikant.

- Met Southern Avenue hebben jullie inmiddels opgetreden met Buddy Guy, JJ Grey & Mofro, Los Lobos en North Mississippi Allstars. Heb je daadwerkelijk iets van deze collega’s kunnen leren of beperkt zich dat tot werkrelaties?
Ori: Jawel hoor. Buddy Guy is een fenomeen en een erg aardige man. Het viel me op dat met name de oudere muzikanten - zoals de mannen van Los Lobos - erg behulpzaam waren. Kijk, je krijgt geen les van ze of zo. Maar je leert veel door naar ze te kijken en te luisteren. Hóe ze zich op een show voorbereiden en wát er wordt afgesproken. Luther Dickinson en de Allstars is een ander verhaal. Zij zijn Memphis-familie van ons en Luther speelde mee op ons album. Het omgaan met dit soort muzikanten geeft je zóveel inspiratie en energie. Dus voor mij is dat zeker meer dan een werkrelatie alleen.

De zussen Tierinii en Tikyra Jackson zijn ons ook komen vergezellen. Tierinii vraagt zich hardop af of ze haar bril af moet doen voor de fotograaf. Maar Ori zegt haar op een vaderlijke toon: “you look beautiful, this is good!”

- Hallo Tierinii en Tikyra, ik stel me zo voor: toen jullie nog kleine Jacksons waren, mocht Tikyra op drumles en Tierinii naar zangles. Waarom was dat niet andersom?
Tierinii: Nee! Niemand kreeg les bij ons. We waren met zeven kinderen, daar was toch geen geld voor.
Tikyra: Tja, het drummen lag mij gewoon goed. Mijn broer drumde en door hem ben ik het ook gaan doen. Ik speel ook piano maar de combinatie van drummen en zingen bevalt mij prima in deze band.

- Jullie zijn begonnen als gospelzangeressen in een kerk in Memphis. Is dat de beste opleiding die je kunt hebben als een soul- en rhythm and blueszangeres?
Tierinii: nou, het is minder romantisch dan het lijkt hoor. Ja, we zijn begonnen met zingen in de kerk. Maar we hebben geen gospel zanglessen gehad of zo. Door al die meerstemmige gospelzangers en zangeressen om me heen ging ik wel steeds beter de verschillende zang- en ademhalingstechnieken onder de knie krijgen. Of, je ontdekt wanneer het en wat de beste manier is om hoge noten te kunnen halen.
Tikyra: We zijn nu niet meer zo religieus als dat we zijn opgevoed hoor. Ik noem ons liever: spiritueel.

- Verwijzen de tatoeages op jullie armen ook naar die spiritualiteit?
Tikyra: Neuh, ik heb er een paar, maar vind ze lang niet allemaal even mooi.
Tierinii: ik heb er eentje die betekenis vol is. Die heb ik na een moeilijke periode in mijn leven laten zetten met mijn jeugdvriend Zephenia, met wie ik als kind danste in een performing arts group in Memphis.

- Van blues tot rock en soul, de Memphis muziekscene is altijd toonaangevend en origineel geweest. Wat is het meest opvallende wat er nu gebeurt?
Tierinii: Alle muziek uit Memphis klinkt goed…
Tikyra: … nou ja, eigenlijk weten we dat niet, we zijn al even niet thuis geweest namelijk…
Ori: … nee, twee á drie jaar al niet, hahaha!

- Onlangs kwam het tweede Southern Avenue album ‘Keep On’ uit. Jullie zeiden daarover dat de ervaring om die op te nemen compleet anders was dan het opnemen van de eerste plaat. Waarom was dat zo?
Tikyra: We zijn nu meer een eenheid geworden. Dat heeft te maken met het simpele feit dat we vaker met elkaar optrekken en meer optredens doen. Maar ook omdat toetsenist Jeremy Powell nu een vast bandlid is geworden. Net als bassist Evan Sarver was hij aanvankelijk onze touring muzikant. En persoonlijk heb ik een extra steentje bij kunnen dragen door samen met Ori een song te schrijven voor die plaat.
Ori: Voor mij is dit eigenlijk ons échte eerste professionele album. De vorige is zeker niet slecht maar veel te snel en low-budget opgenomen.

- Schrijven jullie alle drie teksten? En hoe gaat dat in z’n werk?
Tierinii: Ach, soms hier en dan weer daar, en zus en zo…
Tikyra: “… it just depends on the móóód.”
Ori: We schrijven alleen als we zin óf inspiratie hebben. Na deze zin begrijp je zeker wel waarom de dames mijn teksten soms moeten herschrijven? Hahaha!

[De zussen worden wat melig, tijd voor een serieuzere vraag]
- Er is veel aan de hand in de wereld. In de ‘Peace Will Come’ songtekst-video gebruiken jullie beelden van Martin Luther King. Vinden jullie dat je als artiest ook een missie hebt?

Tikyra [fel]: dat heeft niets te maken met of je artiest bent of niet! Ik ben ervan overtuigd dat álle mensen van gelijke waarde zijn en dat iedereen hier op aarde een bestemming heeft, ongeacht achtergrond of afkomst. Wij hebben de mogelijkheid om veel mensen onze stem te laten horen. Dat voelt als een voorrecht en niet als een last of een opdracht.
Tierinii: Wij hebben ‘Peace Will Come’ geschreven als een lied over ‘hoop.’ Omdat er nog te veel ongelijkheid in de wereld is. Het label heeft de video erbij gemaakt om dat te onderstrepen. Dat is de boodschap, niet meer en niet minder. Wij houden ons verder niet met politiek bezig.
Ori: “Politics is a losing game.” Maar het belangrijkste van politiek zou de menselijke verbinding moeten zijn. Ik ben opgegroeid in Israël en heb er vier oorlogen meegemaakt. Er is daar altijd dreiging en iedereen is daar op zoek naar innerlijke rust en vrede. Toen kwam ik in Memphis en daar was het nóg gevaarlijker. Deze meiden ervaren nog dagelijks wat racisme is. Dat moeten we blijven bestrijden met hoop en liefde. Daar gaan onze songs ook over: “human connection,” ongeacht geslacht, ras of etnische afkomst en religie.

- Tot slot, wat is jullie gemeenschappelijke levensmotto?
Tikyra: “If you gonna hit it, hit it hard!”
Tierinii: “Don’t give up, expect the least and do it with your whole heart.”
Ori: Ik hou het toch op: “Keep On!”

De muzikale roadtrip van Lisa LeBlanc [interview]

Geplaatst op 24 July 2018 door Giel

Twitter facebook YouTube E-mail

Exclusief interview met: Lisa LeBlanc
tekst & video: Giel van der Hoeven
foto’s: José Galloise © The Blues Alone?
locatie: Ribs & Blues Festival 2018 in Raalte
datum: zondag 20 mei 2018

Lisa LeBlanc (1990) heeft zo haar eigen kijk op het leven en op de liefde. Songs van haar hand als: ‘I Love You I Don’t Love You I Don’t Know’ (met Award-winning singer Sam Roberts), ‘Dump the Guy ASAP’, ‘Could You Wait ‘Til I’ve Had My Coffee?’ en ‘You Look Like Trouble But I Guess I Do Too’, lopen tekstueel over van de twijfels en persoonlijke drama’tjes. Maar ze staan vooral bol van het cynisme. En dat wil Lisa gerust uitleggen in een interview aan TBA? zegt ze lachend. Ze spreekt Engels met een grappig Frans accent, ’sorry, I’m trying to find my words here’ en ze geniet van de vibe tijdens haar eerste Nederlandse festivalbezoek. Als ze later in een feloranje jurkje en knalgele maillot breed lachend het podium op stapt, krijgt het publiek een pittige culturele mix van “Folk-trash” voorgeschoteld. Een etiket dat de Frans-Canadese singer-songwriter voor het gemak zelf heeft geplakt op de uiteenlopende muziekstijlen die ze aan het verkennen is in een muzikale roadtrip.

Hallo Lisa, is dit je eerste bezoek aan Nederland?
- Als optredend artiest wel. Als toerist ben ik eerder een paar dagen in Amsterdam geweest, zoals zoveel van mijn Canadese landgenoten.

Je bent Canadese en van Acadians Franse oorsprong?
- Ja dat klopt. Ik ben geboren in Rosaireville, New Brunswick en tweetalig opgevoed. Mijn moedertaal is Frans, ik ging ook naar Franstalige scholen, maar je hoort zoveel Engels om je heen dat je die taal als kind onbewust oppakt. De Acadians zijn afstammelingen van Franse kolonisten die zich in de 17e en 18e eeuw in Acadia vestigden. Dus, het huidige Quebec, New Brunswick en Nova Scotia. Het woord Acadians is in loop van de tijd trouwens verbasterd tot Cajuns.

Is het voor een Frans-Canadese artiest lastiger om Engelstalige muziek uit te brengen?
- Dat hangt ervan af van hoe je er zelf in staat. Traditioneel is het zo dat artiesten uit Quebec alleen in de provincie hun werk uitbrengen en er optreden, wat met meer dan achtmiljoen inwoners ook geen straf is. Maar de jongere (pop/rock) generatie is toch meer geneigd om grenzen te verleggen. Letterlijk en figuurlijk. Ik ‘hussle between the communities’ zeg ik altijd maar.

Wist je als kind al dat je professioneel muzikante zou worden?
- Ja, sinds mijn 12e jaar weet ik dat dit mijn roeping is. Rond mijn 14e jaar componeerde ik al eigen songs en deed ik kleine optredens in bars. En toen ik 20 jaar was werd ik verkozen tot veelbelovende singer-songwriter op het ‘Festival international de la chanson de Granby’. Een belangrijk evenement in Granby (Quebec) dat dit jaar in september het 50-jarig jubileum viert.

Eh ja… maar gaan meisjes van 14 jaar - zelfs in Canada - niet achter boybands aan?
- Hihi, nee dat niet. Maar ik was wel een normale puber hoor! Geen boybands, ik was op die leeftijd juist een groot classicrockfan. Aerosmith, Jimi Hendrix, Deep Purple, Bon Jovi, Heart. Oh, en Fleetwood Mac, ik wilde óók ooit een Stevie Nicks worden! Vreemd genoeg heb ik een Canadees singer-songwriter als Neil Young pas de laatste jaren ontdekt. Een album als ‘On the Beach’ (1974) is echt te gek. Er valt voor mij nog zóveel goede muziek uit te pluizen… ‘it’s something you can discover all your life.’

Wat maakte het leven als kind verder leuk aan de oostkust van Canada?
- Ik ben een echt plattelandsmeisje, ik genoot- en geniet nog steeds van de natuur. En tja, ik was al jong met muziek bezig. Dus tijd om te sporten of iets dergelijks was er niet. Dat was ook niet iets wat m’n ouders stimuleerden of zo. Ik heb één oudere broer. Hij is ook muzikant en zanger. Wie weet gaan we ooit nog eens samen optreden.

Wanneer kwam het keerpunt dat je muziek een mix van “Folk-trash” werd, zoals je het zelf beschrijft?
- Ehm, ja eigenlijk ben is dus begonnen als rock-’n-roller, haha. Die energie en rauwheid van rockmuziek sprak mij nou eenmaal enorm aan. Maar ik kom uit een omgeving waar veel cajun-, country-, bluegrass-, roots- en bluesmuziek gemaakt werd. Met ook nog eens het jaarlijkse Harvest Jazz & Blues Festival in de buurt, in Fredericton, New Brunswick. Ik moest daar aanvankelijk niet zoveel van hebben en vertrok naar de grote stad, Montreal. Maar de banjo ging wél mee en ik ontdekte dat je dat instrument op vele manieren kan toepassen.

Welke instrumenten bespeel je allemaal?
- Akoestische- en elektrische gitaar, mandoline en banjo… én triangel, haha. Ik kan sinds kort ook twee songs op de viool spelen. Maar daar waag ik mij nog maar niet aan op het podium.

Wanneer schrijf je liever songs: als je thuis bent of onderweg?
- Laat ik het zo zeggen: onderweg beleef je het meeste, dus dat zou meer voor de hand liggen. Maar hele songs schrijven ‘on the road’ is me nog niet gelukt. Ik probeer het mezelf wel eigen te maken maar voorlopig blijft het bij notities en fragmenten die ik later thuis wel voor nieuwe songs gebruik.

Wat is de belangrijkste boodschap die je te vertellen hebt met je songteksten?
- Jeetje, ik ben niet zo van grote boodschappen hoor. Mijn teksten zijn gewoon persoonlijke verhaaltjes over liefde en vriendschap in eerlijke folk-country liedjes. Liedjes die je op duizend manieren kan interpreteren en spelen, dat houdt het ook spannend. En áls ik al een boodschap heb, dan is het dat ik de mensen graag beter wil leren kennen.

Je debuutalbum ‘Lisa LeBlanc’ (2013) was Franstalig, daarna volgden een Engelstalige EP ‘Highways, Heartaches and Time Well Wasted’ (2014). Het 3de album ‘Why You Wanna Leave, Runaway Queen?’ (2016) is Engelstalig met twee Franstalige songs. Blijf je altijd tweetalig schrijven en zingen?
- Ja, dat denk ik wel. Ik vind het prettig om in beide talen te schrijven. De Engelse taal is uiteraard meer internationaal gericht. En mijn moedertaal is toch Frans… of meer Frenglish, een macaronische mix van het Frans en Engels. Maar ik kan met beide talen goed uit de voeten.

Je laatste plaat heeft ook duidelijk een ander geluid dan die eerste twee. Is dat volwassenheid?
- Wellicht. Behalve artiest ben ik ook een groot muziekliefhebber die zoveel mogelijk probeert te ontdekken. Dat album kwam tot stand na een roadtrip van twee maanden door de VS. Op een ontdekkingstocht door Nashville, Lafayette, New Orleans, Austin, Asheville en New York heb ik zóveel nieuwe dingen gehoord! Dat heeft ongetwijfeld ook invloed gehad op mijn schrijfstijl en manier van musiceren. In Blackpot Camp in Eunice, Louisiana verwierf ik nieuwe vaardigheden om mijn gitaar- en banjo-technieken te verfijnen. Ik heb in workshops Cajun-muziek leren spelen - wie had dat gedacht?! Zoals Appalachian old time banjo, clawhammer style en flatpicking bluegrass, three-finger style.

Stoort het je als - met een nummer zoals ‘You Look Like Trouble (But I Guess I Do Too) - er een vergelijking wordt gemaakt met Mumford & Sons? (’Little Lion Man’)
- Oh ja, doen mensen dat? Grappig. Nou, als men Mumford & Sons goed vindt is dat natuurlijk een compliment voor mij. En zo niet, dan niet. Hahaha.

Was de titelsong ‘Highways, Heartaches en Time Well Wasted’ (2014) geïnspireerd door de soundtrack van Ennio Morricone’s ‘Once Upon a Time in the West’?
- Zeker. Ik ben dol op de sfeer van spaghettiwesterns en die soundtracks. Maar ook fraaie Hawaiiaanse muziek hoor ik graag. Mijn albums kan je ook beluisteren als een verzameling roadsongs geïnspireerd door belevenissen en de mensen die ik tijdens mijn reizen ontmoet heb.

De track ‘Why Does It Feel So Lonely (When You Are Around)?’ bevat zelfs een orkestarrangement …
- ‘Haha, that’s our little splurge,’… lekker over de top. We wilde eens luxe doen en huurden een strijkkwartet in voor 20 seconden, haha.

Waarom koos je ‘Ace Of Spades’ van Motörhead als coversong?
- Met deze band speel ik al ruim zeven jaar samen en het zijn allemaal metalheads van oorsprong, haha. Wij zien er misschien braaf uit maar in de tourbus gaan we hélemaal los op Metallica, Megadeth en Motörhead! Dus er móest gewoon een metal-song op de setlist komen te staan; ‘to play the shit out of our lives! Whaha.’

Is dat te doen als enige vrouw in de band? En stel de mannen eens voor?
- Tuurlijk! ‘It’s one crazy bunch of dudes, but they are all sweethearts.’ Maar om een onduidelijke reden zijn ze ineens allemaal behaard, haha. De bandleden zijn gitarist Mico Roy - met snor, hij speelde met het New Brunswick indie folk trio Les Hay Babies. Bassist Benoit Morier - met snor, speelt ook gitaar en is thuis in zowel rock-, folk- als bluesmuziek. En drummer Maxime Gosselin - met snor én baard, nam een EP op met de psychedelische indie rockband Passwords.

Hoe belangrijk is humor in je songs?
- Erg belangrijk! Want humor kan een manier zijn om serieuze zaken te communiceren. Schrijven is voor mij een soort van therapie - zoals dat voor de meeste schrijvers geldt, denk ik. Ik schrijf hoofdzakelijk herkenbare liefdesliedjes en break-up songs die twijfels en persoonlijke drama’tjes bevatten. In songs met meer beladenheid zoek ik altijd wel naar die ‘little twist’ van depressief naar een beetje meer luchtigheid. Ik wil ook niet als een jankerd overkomen, begrijp je wel?

Hoe vertaal je dat naar je podiumpresentatie?
- Dat vertaal ik niet naar een performance. Mijn optreden ís zoals ik ben. Natuurlijk, omdat je een instrument om hebt hangen, anders gekleed- en gefocust bent, lijkt je in eerste instantie misschien een personage. Maar het karakter zelf is écht Lisa LeBlanc. En haar optredens zijn altijd oprecht en energiek. Met namen de soul en rhythm-and-blues zanger Charles Bradley heeft mij daarin geïnspireerd. Zoals hij weer werd geïnspireerd door James Brown, en iemand anders weer door Mick Jagger wordt beïnvloed. Een goede vriendin van mij deed met haar band de openingsact voor de Rolling Stones in Quebec. Backstage zag ze een ouwe-mannen-club. Maar eenmaal on-stage ging het dak eraf! Dat kan na al die jaren alleen maar de kracht van oprechtheid zijn.

Tot slot Lisa, wat kunnen we op korte termijn nog van je verwachten?
- Nou, niet veel nieuws eigenlijk. We maken de tour af in 2018 en ik heb besloten om in 2019 een sabbatical te nemen na acht jaar non-stop reizen en optreden. Voorlopig éven geen studio of tour. Nee, ik zal zeker geen huisvrouw of thuisblijfmoeder worden. ‘I will get restless.’ Ik zou graag eens de artistieke leiding van een muziekgezelschap willen doen. Of een authentieke Cajun-band starten. In elk geval blijf ik lekker met muziek bezig. Want een carrière als artieste staat voor mij gelijk aan een levenslange muzikale ontdekkingstocht. Dat klinkt misschien vreemd met een ’sabbatical leave’ in het verschiet, maar het is wel noodzakelijk om creatief te blijven.

Exclusief interview met Ruben Hoeke – 25 jaar on the road

Geplaatst op 5 September 2017 door Giel

Twitter facebook YouTube E-mail

Exclusief interview met: Ruben Hoeke
tekst: Giel van der Hoeven
foto’s: José Galloise © The Blues Alone?
locatie: Ribs & Blues Festival 2017 in Raalte
datum: zondag 4 juni 2017

Ruben Hoeke is een begenadigd gitarist en een bevlogen jongen die altijd bezig is om zichzelf en het bandgeluid te ontwikkelen. Iets wat veel Nederlandse ‘bluesbandjes’ nalaten om te doen doet hij voortdurend: werken aan een internationale sound met een eigen identiteit. De feelgood bluesrock van de Ruben Hoeke Band wordt daarom door zowel blues- als rockliefhebbers gewaardeerd. Desalniettemin was het openingsnummer van het Ribs & Blues concert (én van het laatste album) het aloude ‘That’s The Boogie’, een uptempo rockversie van Rob Hoeke’s Rythm & Blues Group. Noem het maar één van de twee odes tijdens dit optreden. Want later in de show werd ook het ingetogen ‘Four Seasons’ gespeeld. Een indrukwekkende bewerking van het poëtische Thé Lau lied: ‘Vier Seizoenen’. Verrassend was ook de The Who cover ‘Won’t Get Fooled Again’ waarin Ruben zijn nieuwe Gibson Les Paul gitaar nog eens op energieke wijze kon uittesten. Want bij een RHB-concert kan je muzikaal gezien rekenen op ‘een mix van old-skool RHB en nieuwe super-catchy ruige rock ‘n roll en rhythm & blues’, zoals hij ons na afloop in een interview nog eens duidelijk maakte. Een interview dat reeds dateert van 4 juni dit jaar. Maar omdat in september de ‘RH 25 Tour’ pas echt van start gaat hebben we gemeend om het ook in deze maand pas te plaatsen. Want een aimabel mens en gepassioneerd gitarist als Ruben Hoeke verdient het om flink in de schijnwerpers te staan.

- Hallo Ruben, 25 jaar in de muziek business, gefeliciteerd! Wat was het hoogtepunt en wat het dieptepunt in die 25 jaar?
Dat ik al die tijd mijn eigen muziek kon maken met heel veel goede muzikanten zie ik eigenlijk als één hoogtepunt. Het geeft een gevoel van vrijheid. Een dieptepunt is als ik niet optimaal presteer, elke keer als ik onder m’n niveau speel baal ik daarvan. Vandaag ging dat prima maar ik was wel ontzettend nerveus vooraf. Vraag me niet hoe dat komt want ik heb geen idee. Het was ook al ons derde optreden hier. Maar, het is ook wel weer een goed teken want als je niet zenuwachtig meer bent wordt het routine, en dat is killing voor een muzikant.

- Vanaf september volgt de RH 25 Tour! Kunnen we iets speciaals verwachten?
Ik zie elk optreden wel als een speciale gelegenheid en ben blij dat ik dit nog steeds kan doen. Met vrienden op pad en lekker spelen, ik hoop dat nog wel 25 jaar te kunnen doen. We gaan niet afwijken van wat we normaal doen hoor. Gewoon ons eigen repertoire spelen zonder concessies te doen voor de commercie. Een mix van old-skool Hoeke Band en nieuwe super-catchy ruige rock ‘n roll en rhythm & blues. Met tussendoor wel wat covers zoals vandaag o.a. The Who’s ‘Won’t Get Fooled Again’. Met een eigen interpretatie want ik onthoud nooit goed hoe zo’n origineel nou precies gespeeld werd. Ook Pete Townshend’s molenwiek heb ik achterwegen gelaten want ik ben geen copycat. Begrijp me goed, ik heb waardering voor tribute bands, maar dát zijn wij zeker niet.

- Toch is je nieuw te verschijnen album - dat je samen met je broer Eric (drummer) opnam - ook een soort tribute. In de geest is van je vader, de legendarische pianist Rob Hoeke. Vertel daar eens iets meer over?
Ja, maar daar gaat ook wel een verhaal aan vooraf hoor. Onze vader Rob, die in 1999 is overleden, had thuis een Technics piano staan met een Midi-recorder. Daar speelde hij vaak op en veel materiaal nam hij op floppydisks op. Destijds zei hij weleens dat ik daar later misschien wel iets mee kon gaan doen. Als jonge muzikant had ik wel andere dingen aan mijn hoofd, maar begin dit jaar zijn Eric en ik die floppy’s toch weer eens gaan beluisteren in de studio. En toen ontstond het idee om samen 16 van die tracks te gaan inspelen. Het inkleuren van een muzikale erfenis als het ware. Eric speelt daarbij op het Gretsch drumstel dat door mijn oom Paul Hoeke werd gebruikt op de eerste Rob Hoeke lp ‘Boogie Hoogie’ uit 1964. Pas tijdens de eind mix bedachten we om ook Rob’s piano-opnames door zijn originele piano te halen! Waardoor het geheel pas écht ging leven. Toen ineens was daar ‘the feel’ en vloeide het geluid op natuurlijke wijze in elkaar. Waarmee bij ons weer het besef kwam dat hij dáárom ook de beste in zijn soort was geweest met boogie-woogie en rhythm & blues muziek. Want muziek is en blijft in eerste instantie toch een gevoel dat maximaal moet zijn. Het ‘Hoeke - Legacy’ album wordt echt een geweldige plaat.

- Het is niet je vader geweest maar een voetbalvriendje die je ertoe heeft aangezet om gitaar te gaan spelen. Zag papa Rob geen brood in de muziekindustrie voor zijn kids?
Nou, hij had er wel zijn bedenkingen bij. Maar hij kwam ook uit een tijd - de jaren ‘60 en ‘70 - dat veel muzikanten belazerd werden met een hoop gedoe van dien. Hij heeft het niet gestimuleerd maar ook zéker niet tegengehouden. Dat zal ik bij mijn eigen kinderen ook nooit doen. Ik groeide op in Krommenie en wist niet beter dat mijn vader altijd muziek aan het spelen was, het was gewoon zijn werk. En wij voetbalden buiten op straat met leeftijdgenootjes. Toen een van die jongetjes als tiener gitaar ging spelen raakte ik ook onder de indruk van dat instrument, zo is het eigenlijk ontstaan. Mijn eerste openbare optreden was in december 1992 in de ‘Drieluik’ te Zaandam. Zwarte gitaar, wit overhemd, spijkerbroek, gympies, bloednerveus en een beetje verlegen. Maar ook in de wetenschap dat ik DIT de rest van mijn leven zou gaan doen.

- Je zing niet en schrijft zelf geen lyrics. Maar je schrijft wel columns en je bent ook journalist geweest. Tekent dat ook je interesse in de mede(mens)muzikant?
Ik heb wel songteksten geschreven hoor, maar onze zanger Lucas Pruim is daar veel beter in dus gebruiken we zijn lyrics. Hij heeft ook ‘Vier Seizoenen’ van Thé Lau vertaald in ‘Four Seasons’. Daarbij vind ik Lucas echt een belachelijk goede zanger. Als kind werd ik gegrepen door de zang en de gitaarmelodie van de Guns N’ Roses klassieker ‘Sweet Child O’ Mine’. Als je dan jaren later gitarist Slash van die band mag interviewen voor het blad ‘Music Maker’ is dat beroepsmatig maar ook zéker uit interesse, ter eigen eer en glorie. Ik heb ook nog een jaar of vier met Gerben Deves het radioprogramma ‘Live & Puur’ gepresenteerd voor Zaanradio. Waarvoor we o.a. B.B. King, Johnny Winter en Buddy Guy mochten interviewen. Ja, het interesseert met mateloos wat deze muzikanten drijft.

- Ben je een sociaal mens?
Ja, ik ben een sociaal mens bij het belachelijke af. Zodanig dat mijn vrouw weleens zegt: hou die gozer nou eens uit de buurt. Dat wil zeggen ik ben graag betrokken bij anderen maar ga niet graag naar verjaardagen. Iedereen krijgt bij mij ook vaak een tweede of derde kans - ik ken geen rancune.

- In juni 2014 heb je na 15 jaar de samenwerking met zanger/bluesharpist Frank van Pardo beëindigd om met jeugdvriend Machiel Boon (zanger/gitarist) in zee te gaan. In de huidige bezetting van je band is Lucas Pruim de zanger, Paul Brandsen bassist en broer Eric dus de drummer. Is het anno 2017 de omslag geworden die je verwacht had? [inmiddels is de bassist van de RHB: Mike Kamp - red.]
Met Frank heb ik vorige week nog in een ander bandje samengespeeld, we zijn goede vrienden gebleven hoor. Het is ook niet zo dat ik - wat sommige weleens denken - van de blues sound af wilde. Want die blues zit nou eenmaal in mijn DNA. Je hebt natuurlijk gauw een stempel en wekt verwachtingen als ‘de zoon van’. Maar Dweezil Zappa zal ook nooit Frank Zappa worden. Jij noemt het een omslag maar het heeft allemaal met het rijpingsproces en met smaak te maken. Met mijn eerste bandje Blues on the Road poogde we al blues te spelen maar erna met Roberto Jacketti & the Scooters en Skelter speelde ik ska-muziek, met Stonefreak betonrock en met Thé Lau Nederlandstalige pop en rock… ik bedoel maar.

- Sonic Revolver, het vierde RHB studioalbum is alweer bijna een jaar uit. Ben je terugkijkend tevreden met het resultaat ervan?
Nee, ik ben nooit tevreden over wat ik heb gemaakt. Op het moment dat er een plaat uitkomt denk ik vaak al: “het had zóveel beter gekund, haha tja". Het zou toch ook een slechte zaak zijn als je altijd maar tevreden bent? Kijk, het is ook niet zo dat we live dan ineens hele arrangementen van songs gaan omgooien of zo, maar nuanceverschillen worden gaandeweg wel aangebracht. Op de een of de andere manier ben ik toch altijd bezig mezelf en het bandgeluid te ontwikkelen.

- Zangers en gitaristen zijn vaak ‘het gezicht’ van een band. Ik heb je eens horen zeggen dat je zangers (bijv. Eddie Vedder) zelfs meer inspirerend vind dan gitaristen. Wanneer inspireert een andere artiest jou?
Als ik er kippenvel van krijg! Pearl Jam is inderdaad te gek en de meeste kennen mij als Guns N’ Roses liefhebber. Maar ik ben ook een mega Randy Newman fan, die combinatie van zijn pianospel, stem en satirische teksten; prachtig. En ook Tim Hardin of Errol Garner mag ik graag horen. Laatst hoorde ik een heel mooi lied van Racoon op de radio… het maakt me geen bal uit wie wat speelt. Als het iets met me doet inspireert het me ook. Ik heb een behoorlijke verzameling platen van ragtime tot grunge en van gipsy jazz tot hardrock. Maar momenteel volg ik het allemaal niet meer zo erg. De laatste plaat die ik kocht was volgens mij ‘Eli’ van Jan Akkerman en Kaz Lux.

- In 1999 heeft B.B. King jou 70’s Gibson Les Paul Standard gitaar gesigneerd. Je bezit tientallen gitaren en versterkers. Welk exemplaar is het meest waardevol voor je?
Inderdaad die door B.B. King gesigneerde Gibson Les Paul, ook al heb ik er vandaag niet op gespeeld. Ik heb vorige maand net een nieuwe Gibson uit Duitsland gehaald en wilde die vandaag eens uitproberen. Ik bezit inderdaad een aardig grote collectie gitaren maar ik neem er altijd maar eentje mee naar een optreden. Dat is best een risico ja, maar wat is het leven zónder risico’s? Haha! Ik ben thuis ook altijd bezig met het sleutelen aan mijn gitaren, andere elementjes erin, dingen kapot solderen… vind ik gewoon leuk om te doen. En met Brandin Guitars werk ik ook weer aan een nieuwe RH Signature gitaar.

- In december 2016 deed je mee aan de ‘Tribute to Jan Akkerman’ in de Melkweg te Amsterdam die daarmee zijn 70e verjaardag vierde. Hoe was dat?
Ja, dat Melkweg optreden was mooi maar eenmalig. Erna heb ik ook nog getoerd met Jan en ik vond dat bijzonder eervol. Hij hoeft mij natuurlijk niet uit te nodigen want hij speelt zelf geweldig goed gitaar. Maar we kennen elkaar al langer en respecteren elkaar zeer. Bovendien was het erg leerzaam, regelmatig dacht ik: goh! 70 jaar en nog zó spelen, respect.

- Bestaat het akoestische duo met zanger Jan Blaauw JURA nog? Is dit iets wat je nodig hebt naast de RHB?
Jazeker, Jan is ook met ons meegekomen naar Raalte vandaag, we hadden een plekje over in de bus haha. We spelen nu ruim drie jaar samen als daar gelegenheid voor is. En we hebben samen in 2015 de CD ‘River Songs’ opgenomen en uitgebracht. Een nieuwe plaat zit wel in de planning maar we zijn nu beide druk met andere eigen dingen. Jan Blaauw doet een project met toetsenist Willem Zwikker en hij verzorgt het artwork voor mijn platen. En ik ga in december met Jan & Laurie Akkerman, Leif de Leeuw, Brown Hill, Leendert Haaksma en Anton Goudsmid de ‘Knight of the Guitar’ tour doen. Maar de Ruben Hoeke Band blijft mijn ding, ik werk me graag het leplazarus. Ik leef van spelen en workshops geven, en zolang ik ervan kán leven doe ik blijkbaar iets goed.

- Muziek is geen wedstrijd, toch heb je inmiddels al wat prijzen in de wacht gesleept o.a. in 2015 een ‘Dutch Blues Award’. Doet dat je nog iets?
Jawel hoor, er spreekt altijd waardering uit en dat is mooi. Ik heb op initiatief van het Nationaal Pop Instituut ook eens een ‘Duiveltje’ mogen ontvangen als Nederlands beste gitarist, wat toch een toonaangevende en belangrijke muziekprijs is en een onderscheiding door collega-muzikanten. Dat beeldje staat ergens naast een prijs die mijn vader ooit kreeg. Nee, niet op mijn schoorsteenmantel want die heb ik niet.

- Vlak voor het Holland International Blues Festival 2016 in Grolloo had Beth Hart ‘een oogje op je’. Heb je achteraf geen spijt niet op dat aanbod ingegaan te zijn?
Achteraf niet, nee. Op dat moment zag ik een Europese tour met haar wel zitten mag je weten. Ik zou er wat afspraken voor af hebben moeten zeggen, maar dat zou me wel vergeven worden. Ik ben Beth en de band in november wezen bekijken in de Heineken Music Hall en heb ook met ze gerepeteerd in Duitsland. Maar het voelde toch vreemd. Alsof er een paar muren stonden gemetseld tussen haar en de buitenwereld. Daarbij zou het een heel gedoe worden met de verblijfsvergunning als ik met ze mee zou gaan naar Amerika. Dus heb ik uiteindelijk van het hele avontuur afgezien. Tuurlijk had ik de band graag wat extra vuur gegeven in een soort Bonamassa-rol, maar ik ben nu toch blij voor mijn eigen band gekozen te hebben. Leven in een tourbus met mensen die je wellicht gaandeweg wel kunt schieten… ik zou er doodongelukkig van worden met een vrouw en twee opgroeiende kinderen thuis. Zo nu en dan eens in het buitenland spelen is prima maar ik ben eens eerder langere tijd in de VS geweest en vroeg me op een gegeven moment toch af waar ik mee bezig was. Ach, in principe ben ik overal tegen totdat het tegendeel bewezen is, haha.

- (Bijna) 25 jaar achter de rug, over 25 jaar zit je aan de pensioengerechtigde leeftijd. Hoe ziet Ruben Hoeke zijn dagindeling er dan uit?
Dan hoop ik nog steeds in het vak te zitten. Desnoods als ouwe fatsige blues muzikant in een donkerbruin Zaans praatcafé. Ambities over de grens heb ik dus nooit gehad en ik ben allang blij dat ik m’n boterham als muzikant in Nederland kan verdienen. Vanaf september 2017 volgen er in het kader van mijn jubileum-tour nog minimaal 25 optredens door heel Nederland, waarbij we ook een ‘RH 25 Tour’ live-cd willen opnemen. Kom dat horen en zien en ‘let the good times roll!’