Gladiatorengevecht

Om helemaal uit te leggen hoe een gevecht in elkaar zat, is een beetje saai. Met een beetje rondzoeken vonden we op internet een verhaal wat heel goed echt gebeurd kan zijn. Flavius heeft namelijk wel echt bestaan (op de link staat enige informatie over Flavius Stilicho, die waarschijnlijk de Flavius uit het verhaal is). Dit verhaal zal een beter beeld geven over wat er zich nu precies afspeelde in de arena. 

De Galliër

Een lichte grijns speelde om de lippen van de man toen hij z’n scheenplaat ombond.Vaag klonk het geluid van staal-op-staal, leek uit de verte te komen. Met angstaanjagende regelmaat volgden de slagen elkaar op, maar dat hoorde hij niet eens. Het enige wat telde was wat hij moest doen vandaag.
Hij richtte zich op en klopte met ruwe vegen het stof van zijn bracae (broek), en liet de wijde, bontgekleurde plooien over zijn laarzen vallen. Grijnzend bedacht hij dat hij de enige was die dit kon doen: alleen hij mocht een broek dragen, vanwege zijn vele behaalde successen. En vandaag zou hij er nog een toevoegen aan de eindeloze reeks.
Zijn hand reikte naar het koude handvat van de gladius, en tilde het bijna eerbiedig op uit de wapenrekken. Zacht streelden zijn vingers de vlijmscherpe punt, toen stak hij het wapen tussen zijn riem. Vervolgens richtte hij zich op en deed een greep naar de bovenste plank; met twee handen tilde hij de zware, ijzeren helm in de lucht en bekeek hem voor de duizendste maal. 
Rijke versieringen waren aangebracht op het wapenstuk: Een enorm Gallisch woud was afgebeeld, donker en diep als zijn echte tegenhanger. In zijn enorme strijdwagen raasde Taranis, de Donderaar, langs de toppen van de bomen en liet de hemel dreunen met zijn hamer, terwijl Abnoba samen met haar jagers door de goddelijke bossen struinde, haar pijlen zoekend naar prooien. En door diezelfde wouden liep de Gehoornde, omringd door al zijn dieren: wolf en lam, hond en hert naast elkaar, zich van geen kwaad bewust.
Maar diep, diep tussen de struiken verschool Esus, de roversgod zich, tezamen met zijn bandieten en moordenaars, klaar de argeloze Cernnunnos en zijn dieren te overvallen.
En boven dit alles zweefde Lugh hoog in de hemel, bijgeschenen door het warme licht van de zon. Vredig, met gekruiste benen bekeek hij de wereld op zijn eigen, goedaardige manier. 
Opnieuw was hij weer verblind door de pracht van de helm: het fijne smeedwerk, de harde ijzeren lagen...
Langzaam zette hij het op zijn hoofd, en meteen stroomde het immense gevoel van bescherming en onoverwinnelijkheid door zijn aderen, vulde zijn hoofd totdat niets anders overbleef dan strijdlust en dorst naar bloed. De stilte voor de storm die hem net nog in zijn macht had gehad, was nu volledig verdwenen: zijn spieren zwelden zich, zijn hart bonkte van moed. Hij was gereed.
Inmiddels was het gedreun opgehouden, en het opgewonden gejuich, geschreeuw en gejoel weerklonk door de stenen muren. Voor de laatste keer keek hij om naar de kleine, benauwde ruimte, toen greep hij zijn speer uit de standaard, sloeg met een klap het masker van de helm voor zijn gezicht en holde door de opening. Zonder om te kijken rende hij naar de enorme deur: drie mannen duwden hem open, en stapten vervolgens achteruit om ruimte te maken voor de man.
‘Veel succes, Galliër’ fluisterde een van hen, maar deze hoorde het al niet meer: met een moedig hart liep hij de enorme ruimte van het Colosseum in.

Zwijgend zat Flavius op de harde stenen bank, zijn hoofd steunend in zijn handen. Triest gleed zijn blik door de kamer en trof nog meer moedeloze mannen aan. Mannen in de bloei van hun leven, maar verdoemden, uitgestotenen: weggelopen slaven, misdadigers, mensen die geen keus hadden dan zich neer te leggen bij hun vreselijke lot. Maar hij was anders.
Hij had zelf dienst genomen, zelf de scholing betaald. Maanden van vallen en opstaan, van slaan en geslagen worden. En waarvoor? Voor eeuwige roem? Voor de glorie van het Romeinse Rijk? Voor het geld, de prijzen en de vrouwen? Nee: om de familie-eer te herstellen. 
Een droevige glimlach gleed over zijn gezicht. Familie-eer herstellen. Dat klonk mooi. Maar de waarheid was het niet: gewoon gokschulden, van hem en zijn broer. Torenhoge schulden.
De benauwde sfeer beklemde hem. Niemand sprak; waarom woorden verspillen, als iedereen hetzelfde denkt? Waarom de doodse stilte doorbreken met woorden, als je niemand hebt om mee te praten? Als je weet dat je de zonsondergang niet meer zal halen?
De laatste dreunen van de gladiatoren in de arena verstomden, een zwakke gil klonk. Toen rees, langzaam als een storm, een woord op. Een woord dat door merg en been ging, een beslissend en angstaanjagend woord, een woord dat het einde aanduidde: ‘Occideit! * Occideit!’
Als een te lange noot, een uitgerekte klank vulde dat ene woord de lucht. Slechts enkele seconden, toen rees een daverend gejuich op. Nog steeds zei niemand iets, maar Flavius wist dat iedereen aan hetzelfde dacht: aan de gladiator die nu de dood recht in de ogen keek.
Een doffe klap, toen steeg luid gejoel op. Medelijden voelde hij niet; het was doden of gedood worden. Deze man had gegokt en verloren.
Ruw werd hij gestoord in zijn overpeinzingen toen de doctor de ruimte binnenkwam. Zoals altijd zag hij er weer onberispelijk uit: een stralend witte toga, zijn grijze haar glanzend en gewassen en zijn staalblauwe ogen kil en koud, zoals Flavius hem kende.
‘Het is tijd,’ zei hij. ‘Volg me.’
Flavius stond op en merkte tot zijn verbazing dat zijn knieën knikten. Een angstig voorgevoel bekroop hem; als hij hier al niet eens meer de controle over zijn lichaam had, hoe zou het dan zijn in de arena?
Samen met de anderen loopt hij achter de doctor aan, totdat ze zich in een smalle gang in rijen moeten opstellen. Het gekletter van de hamers weerklonk door de hele ruimte, terwijl geheel onduidelijk was voor Flavius waarom. Toen de rij langzaam opschoof zag hij de wapens hangen: scheenplaten, helmen met brede, bewerkte randen, lange gebogen dolken, drietanden en netten... Het benam hem de adem en maakte dat zijn hart in zijn keel begon te kloppen.
Ruw werden scheenplaten om zijn benen gegespt, kreeg een helm, dolk en schildje in zijn handen gedrukt en werd hem gemaand door te lopen. Snel deed Flavius wat er van hem verwacht werd, stak de dolk tussen zijn riem en gleed weer terug in de rij. Daar werd hem duidelijk waarvoor de hamers waren: met lange kettingen werden drie verschillende gladiatoren aan elkaar geklonken en daarna in aparte groepen gedouwd.
Het verbaasde hem dat het zo snel ging; na enkele minuten waren alle mannen van zijn groep met elkaar verbonden en stonden angstig te wachten op het bevel. Flavius luisterde: de stem van de aankondiger klonk vaag door de dikke muren, maar werd beloond met veel gejuich. Wie zou hun tegenstander z...
‘Vooruit, gaan!’ snauwde de doctor hem toe. Op een draf volgde de gladiator zijn makkers door de deuren, de arena in.

De Galliër genoot. Vijftigduizend mensen, dorstend naar bloed en strijd, wachtten op hem, juichten en moedigden hem aan, schreeuwden zijn naam. Gallus! Gallus! Gallus!
De arena was zijn thuis: hier was hij opgevoed en onderwezen, hier had hij zijn hele leven gewoond, gebloed en gedood. Niets kon hem de plaats die hij had in de harten van de burgers, afpakken.
Nu gingen ook de tweede deuren open; een twintigtal geketende gladiatoren kwamen binnengedraven. Angstig keken ze om zich heen, hun ogen flitsend van hem naar de Romeinen op de tribunes, die nog steeds vol woeste triomf zijn naam schreeuwden.
Een trompet schalde, en als een meester die zijn klas begint, zo stelden de gladiatoren zich op in rijen, hun ogen gericht op de keizer.
‘Ave, emperator! Morituri te salutant!’ schreeuwden ze gehoorzaam, maar de Galliër zag dat hun knieën knikten, hun handen trilden en hun stemmen beefden. Hij grijnsde achter het masker en hij omklemde zijn speer stevig. Wat hem betrof konnen de Spelen beginnen...


Bronnen:

http://www.yellowtown.net/schrijversweb/tekst.php?id=3106
http://www.pbase.com/hkrad/image/41334460
http://sw-headquarters.tripod.com/sitebuildercontent/sitebuilderpictures/.pond/gladiators.jpg.w560h374.jpg
http://www.nndb.com/people/122/000097828/